De Schatkamer

12e zondag door het jaar

21 juni 2020


Jeremia 20, 10-13

Psalm 69, 8-10, 14 en 17, 33-35

Romeinen 5, 12-15

Johannes 15, 26b, 27a

Matteüs 10, 26-33


Vanwege de veertigdagentijd en de Paastijd zijn vier zondagen door het jaar niet aan bod kunnen komen. In februari hebben we de tijd door het jaar verlaten met de zevende zondag. We pikken nu terug in met de twaalfde. Wat hebben we gemist uit het Matteüsevangelie? Zondagen acht en negen blijven nog bij de Bergrede. ‘Maak u niet bezorgd over de dag van morgen’, zegt Jezus op de achtste zondag. De oproep om het huis van je leven te bouwen op de rots die Jezus is, klinkt op de negende. Vervolgens wordt Jezus bevraagd over zijn associatie met tollenaars en zondaars. ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen’, zegt Hij, ‘maar zondaars.’ Op de elfde zondag roept en zendt Jezus ten slotte de twaalf leerlingen.

Zo belanden wij bij de twaalfde zondag. Voor het eerst komt nu in de tijd door het jaar het lijden in beeld. Dat wordt al duidelijk in het vers voor het evangelie: ‘De Geest der waarheid zal over Mij getuigenis afleggen, zegt de Heer, maar ook gij moet getuigen.’ In het Griekse woord dat wij met ‘getuigen’ vertalen, klinkt het lijden al mee: ‘martureite’ – ook gij zult martelaar worden, zegt Jezus aan zijn leerlingen. 

De evangelietekst van deze zondag maakt deel uit van de zendingsrede die Jezus richt tot de twaalf apostelen die Hij op pad stuurt. Vroeger in het tiende hoofdstuk van Matteüs heeft Jezus hen al duidelijk gemaakt dat ze op moeilijkheden zouden botsen. ‘Ik zend u als schapen tussen de wolven’, drukt Hij hun op het hart, ‘Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden omwille van Mij, om zo ten overstaan van hen en de heidenen getuigenis af te leggen.’ 

Op deze manier stappen de leerlingen in de lange geschiedenis van Israëls profeten. Die ondervinden ook weerstand en geweld omdat ze Gods woord bij de mensen brengen. Jeremia is zich goed bewust van het gekonkelfoes achter zijn rug. Het volk van Jeruzalem is razend op hem omdat hij de val van de Godsstad aankondigt. Bovendien legt hij de schuld hiervoor bij het volk dat ontrouw is geworden aan het verbond. Jeremia weet en gelooft dat hij bescherming zal vinden bij God: ‘Ik heb mijn zaak in uw handen gelegd.’ Te midden van de spanningen durft hij zelfs een loflied zingen voor de Heer: ‘Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.’ Die lofzang nemen wij over als we met Psalm 69 antwoorden op de eerste lezing: ‘Schept moed, gij allen die God zoekt. God luistert naar wat een arme Hem vraagt, vergeet zijn gevangenen niet. Laat hemel en aarde Hem prijzen.’ 

Wie echter denkt dat dit betekent dat Jezus’ leerlingen miraculeus bevrijd zullen worden van hun belagers, vergist zich. Jezus gaat er van uit dat zijn leerlingen getuigenis zullen afleggen door hun leven te geven. Hierover wil Hij hen vandaag geruststellen: er is blijkbaar iets ergers dan gedood worden. ‘Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel’. Het lijkt of Jezus het hier over een Platonische dualiteit heeft waarin het lichaam een kerker voor de ziel is. Dat concept is echter vreemd aan het Hebreeuwse denken. In de Bijbelse antropologie is de mens één. Zowel het lichaam als de ziel zijn benamingen van de ene persoon. Maar ze presenteren die persoon vanuit twee perspectieven. Het lichaam is de mens zoals hij voor andere mensen kenbaar is. De ziel is de mens zoals hij door God gekend is. De tegenstanders kunnen Jezus’ leerlingen wel doden in het oog van de mensen. Maar ze kunnen hen niet afscheuren van God. De enige die dat kan is God zelf: ‘Vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel.’ Het is precies die relationaliteit die Jezus benoemt in de laatste verzen. Verloochenen betekent de breuk van de dood. Belijden betekent de band van het leven. Beide kunnen plaatsvinden tegenover de mensen en tegenover God. De sleutel is Jezus. 

Voor Paulus is dit de kern van de zaak. In Jezus kan iedereen de weg terugvinden tot God. Hij is de weg van de dood naar het leven. Paulus heeft het hier niet over de lichamelijke dood. Hij spreekt over het afgesneden zijn van God: de zonde. Dat is de dood van de ziel die mensen in het verderf stort. De hel. Voor Paulus is ‘de ene mens Jezus Christus’ een mateloos cadeau van God. Allen zijn in Christus gered van de dood die hen afscheurt van God. Wie zich verbindt met Jezus, is voor eens en voor altijd ook verbonden met de God van leven. Daar halen de martelaren de kracht om hun leven te geven. Zou ook van ons deze getuigenis gevraagd worden?

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be