De Schatkamer

14e zondag door het jaar

5 juli 2020


Zacharias 9, 9-10

Psalm 145, 1-2, 8-9, 10-11, 13cd-14

Romeinen 8, 9, 11-13

Vgl.Matteüs 11, 25

Matteüs 11, 25-30


‘Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.’ ‘Deze dingen’, zegt Jezus. Welke? Het vers voor het evangelie helpt ons: ‘Gezegend zijt Gij, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij de geheimen van het koninkrijk aan kinderen geopenbaard hebt’. Dit evangelievers heeft enkele maanden geleden ook geklonken: op de zesde zondag door het jaar. Toen lazen we uit de Bergrede en hoorden we Jezus de Wet van het verbond scherpstellen: ‘Gij hebt gehoord dat…’ ‘Maar Ik zeg u dat…’. Alles wat toen geklonken heeft, verstaan wij als ‘deze dingen’. Vandaag neemt Jezus ons verder mee in de dynamiek van de openbaring van deze geheimen. Ze zijn gericht tot kinderen in plaats van tot wijzen en verstandigen. Dit heeft alles te maken met de persoon in wie de openbaring plaatsvindt: Jezus. Hij is de Zoon die zijn Vader aan ons wil openbaren. Hij nodigt ons uit de kinderen te worden aan wie de geheimen van het Rijk der hemelen geopenbaard worden. 

Wat moeten wij daarvoor doen? ‘Komt’, ‘neemt’ en ‘leert’, zegt Jezus en verbindt alle drie die handelingen aan zijn persoon. De eerste imperatief zet ons in beweging. Herinner je de Hebreeuwse invulling van wat in onze Bijbelteksten als ‘wet’ vertaald is. Tora betekent de Wijzing van God: de richting die Hij ons uit wil laten gaan, de weg naar het Rijk der hemelen. ‘Komt allen tot Mij’, zegt Jezus en maakt zichzelf daarmee tot het fundamentele richtpunt van Gods Wijzing. Dit vraagt wel een engagement. Je neemt een juk op. Het ossenjuk komt in Bijbelse context vaak voor als symbool voor de mens die zich laat leiden. Soms heeft dit een negatieve connotatie: het juk van de slavernij die alle vrijheid afpakt. Soms is het juk een positief element: het juk van de opvoeding en het engagement. Het mag duidelijk zijn dat onze relatie met Jezus in de tweede categorie thuishoort. In die zin is het beeld duidelijk verbonden met de derde imperatief: ‘Leert van Mij’. De leerling laat zich leiden door de meester. Hij volgt zijn Wijzingen op omdat hij ervan uitgaat dat hij er zelf beter van wordt. 

Wij komen naar Jezus toe met het engagement dat we ons door zijn lering willen laten leiden. De Wijzing die Hij ons vandaag geeft, is: ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’. Dat kunnen we van Hem leren: zachtmoedig te worden en nederig van hart. Van beide termen moeten we de betekenis van de achterliggende Griekse woorden voor ogen houden. Het Griekse woord voor ‘nederig’ heeft een religieuze lading. Het is de houding van de mens die zich plaatst onder de leiding van God. Niet zelfgenoegzaam maar “God-genoegzaam”. Het Griekse woord dat we met ‘zachtmoedigheid’ vertalen is niet zo eenvoudig over te zetten in een andere taal. ‘Praüs’ combineert zachtheid immers met kracht. Geen zwakke houding dus maar een sterke en moedige. 

Deze combinatie van nederigheid en kracht vinden we uitvergroot in het machtige overwinningsvisioen dat de profeet Zacharias uitspreekt over Jeruzalem. De koning zal zegevierend binnentreden en alle geweld zal aan zijn einde komen. Niets minder dan wereldvrede wordt hier beloofd. Je denkt: dat moet een indrukwekkende figuur zijn, die koning. Maar er staat: ‘Hij is deemoedig, hij rijdt op een ezel’. Terwijl paarden het beeld oproepen van een strijdmacht die verovert en op de knieën dwingt, is de ezel een bescheiden vervoersmiddel. De koning van de vrede lijkt niet op farao met zijn paarden en rijtuigen. Hij lijkt op de arme die zijn best doet om te overleven en daarvoor afhankelijk is van de medewerking van anderen. Deze paradox blijkt niet gemakkelijk verteerbaar voor wie uitkijkt naar een snelle en beslissende ingreep van God om rechtvaardigheid en vrede te brengen. Ook vandaag worstelen mensen met de schijnbare afwezigheid en ogenschijnlijke zwakte van onze God. ‘Waarom grijpt God niet in?’ roepen we als we de pijn en ellende zien van natuurrampen, oorlogen en menselijke kwetsbaarheid. 

‘Ik ben bescheiden’, zegt God ons vandaag in Jezus, ‘Ik ben als een arme die geen grootse veranderingen kan forceren. Maar Ik ben sterk en vasthoudend. En Ik breng je ziel tot rust. De voortdurende strijd die in je woedt, het gevecht tegen jezelf, tegen anderen en tegen God, daarin breng ik verpozing.’ Als we met Psalm 145 antwoorden op de eerste lezing moeten we erover waken dat we geen faraonisch beeld van de koning voor ogen hebben maar het Messiaanse zoals we het bij Jezus vinden. ‘Uw naam wil ik verheerlijken, mijn God en Koning’, kan namelijk triomfalistisch klinken. De massa die met een mengeling van trots en angst zijn dictator groet. De antwoordpsalm wil precies het tegenovergestelde. Dit is de dankbare lofzang van iemand die de rust is binnengetreden en verpoost bij een deemoedige God die vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig is. 

Hier wordt duidelijk waarom deze ‘geheimen van het koninkrijk’ alleen voor kinderen toegankelijk zijn. Wie de realiteit van het leven wil sturen, controleren of forceren, voelt zich in deze spiritualiteit niet thuis. Nog erger moet het zijn voor iemand die totaal gericht staat op de realisatie van zijn eigen levensproject. Zelfgenoegzaamheid en zelfzucht noemt Paulus dit. Het is voor hem een van de grootste obstakels voor een christelijk leven. ‘Als gij zelfzuchtig leeft, zult gij zeker sterven’. Daartegenover staat de Geest van God, de Geest van Christus. Die Geest verblijft in ons, zegt Paulus. Als christenen hebben wij de Geest van God ontvangen en dat betekent dat wij een schuld af te lossen hebben. Wat in de tweede lezing ‘verplichtingen’ genoemd wordt, betekent in het Grieks letterlijk ‘schuldenaars’. Wie zijn leven afstemt op zichzelf, betaalt deze schuld niet af. Wie echter door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, vindt het ware leven. 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be