De Schatkamer

16e zondag door het jaar

19 juli 2020


Wijsheid 12, 13, 16-19

Psalm 86, 5-6, 9-10, 15-16a

Romeinen 8, 26-27

Vgl. Mattëus 11, 25

Matteüs 13, 24-43


In het vervolg van zijn betoog over het Rijk der hemelen verlegt Jezus het accent. Niet over de tegenstelling goede of slechte grond heeft Hij het nu maar over goed zaad tegenover onkruid. Het Griekse woord achter ‘onkruid’ duidt op een gewas dat lijkt op tarwe maar dat compleet waardeloos is. Het goede zaad zijn de kinderen van het Rijk, het slechte zaad de kinderen van het kwaad. Met hen loopt het uiteindelijk slecht af: ‘De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven om hen in de vuuroven te werpen waar geween zal zijn en tandengeknars.’ Het is niet de eerste keer dat Jezus spreekt over ‘geween en tandengeknars’. In het achtste hoofdstuk van Matteüs beschrijft Hij het lot van de mensen van het volk Israël die een minder groot geloof hebben dan de honderdman wiens knecht vreselijke pijn leed. Daar staat: ‘De kinderen van het Rijk zullen buitengeworpen worden in de duisternis, daar zal geween zijn en tandengeknars’. In de tekst van vandaag verduidelijkt Jezus waar het schoentje wringt. Het gaat om mensen die zelf ongerechtigheid bedrijven en mensen die anderen tot zonde aanzetten. Op het eerste gezicht lijken ze thuis te horen in het Rijk der hemelen maar hun handelen gaat regelrecht in tegen de basis van dat Rijk. Hier toont zich de vijand: de persoon die Gods plan wil schaden en zijn Rijk wil vernietigen. Ongerechtigheid en zonde zijn hiervan de symptomen.

Het hart van de boodschap van deze zondag zit in het antwoord van de meester als zijn knechten hem vragen of ze het onkruid moeten bijeengaren. ‘Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt.’ Wat als de leerlingen van Jezus deze boodschap in de loop der eeuwen beter beluisterd zouden hebben? Hoe vaak hebben Kerkmensen zich verloren in het bestrijden van de vijand! Ze voelden zich geroepen om in naam van God het onkruid bijeen te  garen en te verbranden. Op figuurlijke én letterlijke brandstapels. Misschien leeft dezelfde verleiding ook in ons. Een oordeel is snel gevormd. Het kan gaan over mensen buiten of binnen onze eigen gemeenschap. In onze ogen staan ze de komst van het Rijk der hemelen in de weg. Voor je het weet maak je jezelf wijs dat God van je vraagt om hen te bestrijden. Om hen uit de weg te ruimen. Hoeveel tarwe is op deze manier uitgerukt zonder dat het vrucht kon dragen en leven kon geven?

Jezus’ geduldige en zachtmoedige houding lijkt op het eerste gezicht een zwaktebod. De eerste lezing maakt echter duidelijk dat Gods macht juist hier aan het werk is. ‘Gij echter die over de macht beschikt, met veel zachtheid spreekt Gij uw oordeel uit en Gij bestuurt ons met veel goedertierenheid, want Gij kunt uw macht tonen, wanneer Gij maar wilt.’

De gelijkenis plaatst dit machtsvertoon op het moment van de oogst. Voor zijn leerlingen vult Jezus het beeld als volgt in: ‘De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen’. Er zal wel degelijk een moment zijn waarop de tegenstanders van Gods Rijk ter verantwoording worden geroepen. Maar het tijdstip ligt buiten ons bereik. Bovendien zullen het anderen zijn die het oordeel vellen.

Dit betekent dat er voorlopig nog hoop is voor wie zich aan de verkeerde zijde bevindt. Voor ieder die ongerechtigheid bedrijft of anderen aanzet tot zonde opent de lezing uit Wijsheid toekomstperspectief: ‘daar waar gezondigd wordt, biedt Gij de kans tot inkeer’. Deze hoop is de basis voor ons antwoord met Psalm 86. De goedheid en de genade van God tonen zich immers in het uitstel van het oordeel en de inherente kans om anders te gaan leven. We mogen allen rekenen op een God die barmhartig en goed is, geduldig, mild en betrouwbaar. Dat neemt niet weg dat de uiteindelijke redding wel vraagt om inkeer en ommekeer. Daarvoor vragen we in de antwoordpsalm om steun: ‘Schenk uw dienaar uw kracht’.

De kracht van God, dat is zijn Geest. Paulus spreekt ons troostend toe: ‘De Geest komt onze zwakheid te hulp’. Niet dat die ons van onszelf zal vervreemden. Paulus heeft het over het afstemmen van de diepste persoonlijke verlangens op de bedoelingen van God. De Geest brengt bij de mens naar boven wat onder de oppervlakkige en vluchtige begeertes verloren dreigt te gaan. God verstaat dit omdat het diepste menselijke verlangen overeenkomt met Gods wil.

Dit proces vraagt echter tijd. Gelukkig heeft God geduld. Hij ziet het tarwe en het onkruid in ons en zegt: ‘Laat beide samen opgroeien tot de oogst’. Ons dankbaar antwoord herneemt het vers voor het evangelie van de veertiende zondag: ‘Gezegend zijt Gij, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij de geheimen van het koninkrijk aan kinderen geopenbaard hebt’.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be