De Schatkamer

18e zondag door het jaar

2 augustus 2020


Jesaja 55, 1-3

Psalm 145, 8-9, 15-16, 17-18

Romeinen 8, 35, 37-39

Mattëus 4, 4b

Matteüs 14, 13-21


Het is hoogst ongebruikelijk dat het Godsvolk de uitnodiging krijgt om te gaan zitten. Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament roept God het volk voortdurend op om op te staan en op weg te gaan. Het prototype van deze roeping is te vinden in Genesis 12. ‘Ga naar het land dat ik u wijzen zal’, zegt God aan Abram. De typisch Hebreeuwse constructie verdubbelt de marsorder zelfs: ‘Gaande ga!’ staat er letterlijk. Hetzelfde Hebreeuwse werkwoord zit achter de driedubbele ‘Kom’ uit de eerste lezing. De Bijbelse God roept mensen om zich in zijn richting te begeven. Denk aan de letterlijke vertaling van het woord ‘tora’: wijzing. Jesaja profeteert hoezeer het de moeite is om deze stap te zetten. Bij God vind je verzadiging op het diepst mogelijke niveau. In de tekst wordt duidelijk dat drank en voedsel beelden zijn. Niet drinken en eten verzadigen de mens maar luisteren. ‘Neigt uw oor en komt naar mij’, zegt God. Luisterend beweegt de mens zich naar de Heer. Hij laat iets achter en vertrouwt erop dat hij op een schat zal stoten die de moeite waard is. Dit lukt nooit als je bij de pakken neerzit. De Bijbelse mens gaat.

Behalve in het veertiende hoofdstuk van Matteüs. ‘Ga zitten’, zegt Jezus. Het Griekse woord in kwestie betekent ‘aanliggen’. Denk aan het beeld van een Romeins feestmaal. ‘Dinner is served’, zou je op zijn Engels kunnen zeggen. Jezus heeft het woord reeds gebruikt in het Matteüsevangelie. In het achtste hoofdstuk reageert Hij als volgt op het geloof van de honderdman: ‘Ik zeg u, dat velen uit het oosten en het westen zullen komen en met Abraham en Isaak en Jakob zullen aanzitten in het Rijk der hemelen.’ Ongetwijfeld geïnspireerd door Jesaja is een feestmaal ook voor Jezus een beeld van de hemel. Als Hij de menigte uitnodigt om plaats te nemen, geeft Hij hen dus een voorproefje van het Rijk der hemelen. Wat bij Jesaja nog een belofte is, wordt in Jezus een realiteit die je nu al – zij het in avant-première – kan ervaren.

Wat volgt, heeft duidelijk Eucharistische allure. ‘Hij nam de vijf broden (…), sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden die Hij aan zijn leerlingen gaf (…)’. Als je weet dat de Eucharistische praktijk ouder is dan deze evangelietekst, besef je hoezeer de redacteur van het Matteüsevangelie dit tafereel bewust heeft willen verbinden met het centrale ritueel van de jonge christelijke gemeenschappen. Het opent ook ons de ogen. Als wij op zondag samenkomen om Eucharistie te vieren, toont Jezus ons iets van onze uiteindelijke bestemming. We mogen ons even neerzetten om aan te liggen aan de tafel van de Heer. Elke Eucharistie heeft met andere woorden een eschatologisch karakter. Ze is een openbaring van de finale bestemming van ons leven. We zullen er voeding en verzadiging vinden.

De Eucharistie is echter geen eindpunt. Het zitten is slechts voor even. De verzadiging is een voorafname. Het brood is een beeld: ‘Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat uit de mond van God komt’, luidt het evangelievers. Analoog aan de tekst uit Jesaja verlegt dit citaat uit Matteüs onze blik van gastronomie naar woorden. Eten wordt luisteren. Niet slechts het auditief vernemen wordt hier bedoeld. Het gaat om een bewuste actie: we neigen ons oor om de woorden te ontvangen en ter harte te nemen. Ook in het Nederlands kan je ‘luisteren’ verstaan als ‘gehoorzamen’. Geen blinde gehoorzaamheid aan een eenzelvige dictator wordt bedoeld maar de erkenning dat het aangeboden woord de weg wijst naar het ware geluk. In zijn woord zegent God zijn mensen. ‘Gij opent uw hand, Heer, en zegent ons’, zingen we als keervers van de antwoordpsalm. Dat woord is liefde: ‘De Heer is vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig’. Het ultieme kenmerk van de christen is dat hij deze liefde als woord heeft gehoord en als eten en drinken heeft opgenomen. Opnieuw is het Paulus die ervoor zorgt dat dit niet abstract blijft. Aan de Romeinen schrijft hij dat de liefde Gods in Christus is. Hij is het Woord. Hij is het Brood. Hij is de liefde waarvan wij leven. Die liefde, benadrukt Paulus, heeft eeuwigheidswaarde. Niets is in staat deze relatie stuk te maken. Niets kan ons van Hem scheiden. Wie in Christus Gods Woord ontvangt, wie in Christus door God gevoed is, heeft nu al kunnen aanzitten aan het hemelse gastmaal dat de voltooiing zal betekenen van de schepping.

Zo zitten we in de Eucharistie. Door Jezus zelf uitgenodigd om halt te houden, luisteren we naar zijn woord en eten we van het brood dat Hij ons aanreikt. We herkennen erin Gods grootste gave: zijn liefde die onverwoestbaar is. Wat zou het mooi zijn als er aan zo’n mis nooit een einde zou komen. Stel je voor dat je zonder ophouden in die liefde mag toeven. Maar nee, aan het einde van de Eucharistie klinkt het vertrouwde Bijbelse refrein weer: ‘Gaat nu allen heen in vrede’, zegt de diaken. In de meest recente uitgave van het Romeinse Missaal zijn alternatieven voor deze wegzending toegevoegd. Een ervan luidt in het Latijn: ‘Ite in pace, glorificando vita vestra Dominum’. Ga in vrede en verheerlijk de Heer in je leven. Zo wordt het geschenk van Gods liefde een opdracht. Het is duidelijk niet de bedoeling dat we stil blijven zitten.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be