De Schatkamer

19e zondag door het jaar

9 augustus 2020


1 Koningen 19, 9a, 11-13a

Psalm 85, 9ab-10, 11-12, 13-14

Romeinen 9, 1-5

Psalm 130, 5

Matteüs 14, 22-33


Dat we niet stil mogen blijven zitten. Zo eindigde onze bezinning van vorige week. Op een ferme manier bevestigt Jezus dit in het evangelie van deze zondag. ‘Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan’, horen we. Eerst even dit: de Bijbeltekst spreekt niet over een broodvermenigvuldiging. Het begin van deze zin is toegevoegd om duidelijk te maken dat deze lezing onmiddellijk aansluit bij die van vorige week. Zo wordt benadrukt dat de betekenis van dit tafereel verbonden is met wat onmiddellijk voorafgaat. Waar Jezus eerst de mensen de rust gunt van het aanzitten aan tafel, zet Hij nu zijn leerlingen in gang. Hij dwingt hen zelfs. Een sterke term. Wie leerling van Jezus wil zijn, moet in de boot stappen. Er is geen weg naast. Zelfs al weet je dat het gevaarlijk is op het meer, een leerling van Jezus moet zich wagen aan de kracht van de elementen. Christen zijn kan nooit een vlucht van het leven inhouden. Jezus dwingt zijn volgelingen in het volle leven te staan. Tegenwind is dan onvermijdelijk. Teisterende golven inherent. Het zijn die momenten in het leven waarvan je het gevoel hebt dat God veraf is. Je ervaart niet zijn aanwezigheid en denkt dat de belofte van redding loos zal blijken. Het zijn momenten van beproeving. Denk aan het volk Israël dat in de woestijn ronddwaalt zonder water of voedsel. Ze vragen zich hardop af of ze niet beter in Egypte waren gebleven. De angst dat God zijn belofte niet houdt, zit verscholen in het hart van elke gelovige. Maar dan ontvangen we de verkondiging dat Jezus over het water naar ons toegelopen komt en zegt: ‘Vrees niet’. Onze angst loslaten en ons helemaal aan Hem toevertrouwen, dat is wat Jezus van ons vraagt.

Zo verstaat ook Petrus het. Misschien dacht hij op dat moment wel terug aan Elia. Gevlucht van zijn roeping is hij in de woestijn beland. Veertig dagen en nachten heeft hij, gevoed door een engel van de Heer, de weg afgelegd naar de berg van de Heer maar ook daar verstopt hij zich in een veilige grot. ‘Ga naar buiten en treed aan voor de berg van de Heer’, zegt God. ‘Doe een exodus en blijf staande voor de berg van de Heer’, zou je deze zin ook kunnen vertalen. Maar het duurt een tijdje voor Elia de aanwezigheid van de Heer ervaart. Niet in de storm, niet in de aardbeving, maar in het suizen van de wind, overkomt het hem. ‘Zodra hij dit hoorde, (…) ging hij naar buiten en bleef staan’. Dat de Hebreeuwse tekst hier dezelfde twee werkwoorden gebruikt, geeft aan dat Elia nu pas ingaat op Gods roep. In het bootje herkent Petrus Elia’s grot. Kijkend naar Jezus weet hij zich in de aanwezigheid van God. Hij vraagt zich af of ook hij een exodus moet doen en staande blijven voor de Heer. ‘Als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’ Nu zegt Jezus niet: ‘Blijf gerust zitten.’ ‘Kom!’ is zijn antwoord.

Zou Petrus toen zijn beginnen zingen? Mogelijk Psalm 130 dan: ‘Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik’. Het evangelievers geeft aan dat het op dit moment aankomt. Wat gebeurt er met de mens die zozeer op Christus vertrouwt dat hij zich waagt aan de dodende zee van ons bestaan?

Wat gebeurt is miraculeus. Petrus wandelt over het water en gaat tot bij Jezus. Eén handeling krijgt hier twee dimensies. De leerling die hopend op Jezus uit de boot stapt, zinkt ten eerste niet weg in de golven, hij blijft staande. Beschermd tegen de macht van het gevaarlijke water, komt hij ten tweede bij Jezus. Het is blijkbaar nog niet voldoende dat Gods overmacht ten opzichte van het water zich manifesteert in de mens Jezus. Wie bij Jezus is, deelt in diezelfde kracht. Tot de angst terug overneemt. Je ziet het zo gebeuren. Zolang Petrus in de ogen van Jezus kijkt, kan niets hem uit zijn lood slaan. Maar plots hoort hij de wind, ziet hij de golven en denkt: ‘Dit kan niet.’ Of nog waarschijnlijker: ‘Dit kan ik niet’. Petrus heeft zijn exodus gedaan maar blijft niet staande.

Gelukkig blijft hij zelfs in dit moment van angst een leerling van Jezus. Diep vanbinnen weet hij wat hij moet doen. Opnieuw stelt hij zijn hoop de Heer en vertrouwt hij op zijn woord: ‘Heer red mij,’ roept hij. Wie niet staande blijft, maar zijn hand uitsteekt naar Jezus zal gered worden. Zonder enige aarzeling grijpt Jezus in. Hij is de visser van mensen. Dat is zijn diepste identiteit. Jezus’ naam betekent immers: God redt. Toch klinkt in zijn woorden iets van ontgoocheling. Hij noemt Petrus geen ongelovige maar een ‘weinig-gelovige’ die twijfelt. De Griekse term achter dit twijfelen is revelerend. ‘Di-stazoo’ betekent ‘twee posities aannemen’. Het is alsof je aan een tweesprong staat en je niet in staat bent helemaal te gaan voor een kant.

In de antwoordpsalm bidden we om zelf staande te blijven in ons Godsvertrouwen. Genade, waarheid, vrede en gerechtigheid vestigen zich onder ons als Hij zich uit liefde aan ons schenkt. Dan kunnen de golven die onze levensboot teisteren ons niet klein krijgen. En als ons geloof weggeblazen dreigt te worden dan kunnen we nog rekenen op zijn barmhartigheid als we Hem bidden om redding.

Maar wat met de mensen die zich niet aan Jezus vastklampen? Zovele ouders en grootouders lijden onder de vaststelling dat hun geliefde kinderen hulpeloos ronddobberen met ogenschijnlijk geen hoop op houvast of redding. Paulus deelt deze pijn. Hij ziet hoe zijn eigen volk weigert de hand uit te steken naar Jezus. Hij is bereid zijn eigen redding los te laten als dit zou leiden tot de redding van zijn volksgenoten. Maar hij is machteloos. Zoals zovele geëngageerde christelijke opvoeders vandaag. Het enige wat hij kan, is zichzelf en zijn geliefden blijven toevertrouwen aan God. ‘Amen’, eindigt de tweede lezing. Met dit Hebreeuwse woord geef je je helemaal over aan Gods genade. Laten ook wij bidden dat Gods reddende kracht ons staande houdt. Amen!

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be