De Schatkamer

Vijfde zondag door het jaar

6 februari 2022



Jesaja 6, 1-2a, 3-8

Psalm 138, 1-2a, 2b-3, 4-5, 7c-8

1 Korintiërs 15, 1-11

Johannes 8, 12

Lucas 5, 1-11









Zoals in Nazareth de ogen van alle aanwezigen in de synagoge gespannen op Jezus gericht waren, zo staan de mensen bij het meer van Galilea rond hem en dringen aan om Gods Woord te horen. Dit is in het Lucasevangelie voor Jezus de aanleiding tot het roepen van leerlingen. Daarvoor gebruikt Hij wat voor handen is. Eerst dient het vissersbootje als spreekgestoelte om zijn onderricht te kunnen voortzetten. Daarna wordt de boot een instrument om een teken te stellen omtrent Jezus’ zending: een missie met bovennatuurlijke allure die massa’s vruchten zal voortbrengen. Simon Petrus heeft de grootsheid van dit teken door en ervaart een onoverkomelijke kloof tussen Jezus en zichzelf. Hoewel zij letterlijk in hetzelfde schuitje zitten, kan Simon Petrus de nabijheid van Jezus niet verdragen omdat de visser van zichzelf weet dat hij ‘een zondig mens’ is. Wat is hier aan de hand? Petrus beseft dat heiligheid en zondigheid elkaar uitsluiten. Heiligheid is eenheid met God. Zondigheid is zich afzetten tegen God. De twee kunnen niet tegelijk. In Petrus’ uitspraak klinkt dus een geloofsbelijdenis door: ‘Heer Gij zijt de Heilige. Aangezien ik een zondig mens ben, horen wij niet samen’. 

Petrus is niet de enige die op deze wijze omvergeblazen is. Vorige week nog hoorden we in het evangelie een gelijkaardige ontzetting bij de mensen in Nazareth toen zij Jezus hoorden spreken in de synagoge. Zij stelden echter niet zichzelf in vraag maar Jezus: ‘Is hij niet de zoon van?’’ vroegen zij. Helemaal anders is de reactie op het meer van Galilea, bij Petrus en bij allen die bij hem waren. Met name Jakobus en Johannes delen de Godservaring van Petrus. 

Hier staan twee manieren van omgaan met God tegenover elkaar. Het startpunt is hetzelfde: in Jezus toont God zich aan gewone mensen op zo’n wijze dat ze ontzet zijn. Nazareth reageert door het Goddelijke naar beneden te halen. De vissers zien hun eigen kleinheid in vergelijking met Gods heerlijkheid. Het resultaat is dan ook tegengesteld. Wie God bagatelliseert, verliest het contact. Wie zich onwaardig acht om in Gods presentie te staan, wordt opgetild. ‘Wees niet bevreesd’, zegt Jezus, ‘voortaan zult ge mensen vangen’. En ook hierachter schuilt een geloofsbelijdenis: ‘Ik, de Heilige, geloof in jou, zondige mens’. Zo worden Petrus en de andere vissers volgelingen die alles achterlaten. 

Hier realiseert zich in gewone mensen wat bij Jesaja nog een hemels visioen was. De profeet is er zich bewust van dat hij in zich in Gods nabijheid bevindt. Daar bezingen de engelen permanent de heiligheid van de Heer der hemelse machten. Dit bewustzijn brengt Jesaja tot wanhoop: ‘Wee mij, ik ben verloren!’ Het  beeld van de brandende kool die de zondigheid wegbrandt, is sprekend. ‘Uw zonden zijn verdwenen, uw misstappen vergeven’. De profeet leert dat hij thuishoort in de heiligheid van God. Daaruit volgt vanzelf zijn zending. Wie in de gemeenschap van God verblijft, kan niet anders dan zichzelf in zijn project inschakelen. ‘Hier ben ik, zend mij!’ Dat is wat de vissers ervaren als ze zich durven verbinden aan Jezus. Alleen die soort verbondenheid geeft de kracht om al de rest achter te laten en Hem te volgen. 

Het betekent dus wat als je de antwoordpsalm in de mond durft te nemen. Je neemt immers plaats op de positie van Jesaja en Petrus. ‘Te midden van de engelen zing ik voor u, o Heer’. We erkennen dat we door de Eucharistie in hetzelfde schuitje zitten als de Heilige. Nochtans zijn we allen zondige mensen. Maakt ontzetting zich van ons meester? Beseffen we wat ons overkomt? Dan komt Gods woord van vergeving des te sterker binnen. Dan horen we glashelder Jezus’ woorden: ‘Wees niet bevreesd.’ Dan worden ook wij deel van de Goddelijke zending die de profeet verbindt met de apostel. Zal ook van ons gezegd kunnen worden: ‘Ze lieten alles achter om Hem te volgen?’ 

Waartoe worden we dan gezonden? In zijn brief aan de christenen van Korinte vat Paulus onze zending samen in de verkondiging van wat waarschijnlijk de oudste christelijke geloofsbelijdenis is. ‘Christus is gestorven voor onze zonden, Hij is begraven, opgestaan op de derde dag en verschenen aan Petrus en de Twaalf, aan vijfhonderd broeders, aan Jakobus en alle apostelen en aan mij.’ Wie volgeling van Jezus wil zijn, stelt zijn leven in het teken van dit geloof. Dat dit zich vertaalt in woord en daad, blijkt uit het vervolg van de lezingenreeks in het liturgische C-jaar. Wie nog durft, vervolgt dus de ontdekkingstocht samen met de leerlingen. ‘Kom, volgt Mij, zegt de Heer, Ik zal  van u vissers van mensen maken.’   

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be