De Schatkamer

Achtste zondag door het jaar

27 februari 2022



Jezus Sirach 27, 4-7

Psalm 92, 2-3, 13-14, 15-16

1 Korintiërs 15, 54-58

Johannes 14, 23

Lucas 6, 39-45









De achtste zondag herneemt de beeldspraak van twee weken geleden. Zowel Jeremia als Psalm 1 vergeleek toen de goddeloze mens met een dorre plant en de godvruchtige mens met een boom die aan het water staat en vruchten voortbrengt. Vandaag zoomen we in op de vruchten. Aan de vruchten herken je de boom. Een goed mens brengt het goede tevoorschijn, een slecht mens het slechte. Goed en slecht zijn hier niet op de eerste plaats morele categorieën. Denk aan de eerste bladzijde van onze Bijbel. Daar noemt de God de verschillende fases van zijn schepping ‘goed’. Als Hij op de zesde dag de mens gecreëerd heeft, vindt Hij het allemaal zelfs ‘heel goed’. Dit is geen morele beoordeling van de schepping. God stelt vast dat het werkt, dat alles zijn eigen plaats heeft. In deze zin is een goed mens iemand die zijn correcte plaats inneemt in de schepping, iemand die het mens-zijn ten volle waarmaakt. Vorige week zagen we dat de Bijbelse antropologie hier een ontwikkeling voor ogen heeft van aardse naar hemelse mens. Voor Jezus toont zich deze groei in de barmhartigheid. 

Ieder nu heeft de verantwoordelijkheid om dit in zijn eigen leven te vertalen. Pas als we de balk uit ons eigen oog halen, zullen we zien wat nodig is om waarlijk mens te worden. De vruchten van deze ontwikkeling zijn de woorden die we spreken. Daaraan herken je immers de ware gezindheid van een mens, zegt de wijsheid van Jezus Sirach. Dit kan raar klinken in hedendaagse oren. Wij zouden veeleer geneigd zijn te verkondigen dat goedheid zich niet toont in woorden maar in daden. Sirach ziet het zo: als je iemand hoort redeneren, krijg je zicht op het innerlijk van deze persoon. Wat in hem of haar leeft aan verwaandheid bijvoorbeeld, komt dan tevoorschijn. Beoordeel iemand niet op zijn uiterlijk maar op wat er zich vanbinnen afspeelt, bedoelt Sirach. ‘Waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over’, zegt Jezus. 

Welke zijn dan de woorden die als goede vruchten de goedheid van de mens blootleggen? ‘Houdt u vast aan het woord dat leven geeft’, beveelt het evangelievers. Het woord dat leven geeft, moeten we niet in onszelf zoeken. Het is een woord dat wij ontvangen en waaraan we ons vasthouden. In zijn brief aan de Korintiërs maakt Paulus duidelijk dat het over het woord van de Schrift gaat. Het is de boodschap van de verrijzenis die leven geeft. Omdat de dood verslonden is, is de kracht van de zonde uitgeschakeld. Wat overblijft is Gods barmhartige liefde die vlees en bloed heeft gekregen in Jezus. Het hart van de goede mens is daar vol van. Het woord dat hij spreekt, is daarop geënt. 

Paulus roept de gemeente van Korinte op om op dat vlak standvastig te zijn en onwankelbaar. ‘Sedentair en onverplaatsbaar’ is een meer letterlijke vertaling. Laat je niet uit evenwicht brengen, mag je verstaan. Dit veronderstelt dat er machten en krachten zijn die de christen aan het wankelen kunnen brengen. De teksten gaan hier nu niet verder op in. Dat is voor later. Het is wel duidelijk dat er een inspanning nodig is om vol te houden en zich met hart en ziel te wijden aan het werk van de Heer. Opnieuw is deze term niet verder uitgewerkt. Wat we mogen verstaan onder ‘werk van de Heer’ moet nog blijken. In ieder geval heeft het iets met woorden te maken. Wie vasthoudt aan het woord dat leven geeft, ziet zijn leven niet als een monoloog maar een dialoog. Het bestaan wordt een antwoord op God. ‘God zij gedankt’, zegt Paulus. ‘Hoe heerlijk is het de Heer te prijzen’ zegt psalm 92. Wie zijn leven daaraan wijdt, is als een boom, geplant bij het huis van de Heer. ‘Ook als zij reeds oud zijn dragen zij vruchten, zij blijven sappig en fris.’ 

Dit zijn mensen die schitteren als sterren in het heelal. 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be