De Schatkamer

3e zondag van Pasen

1 mei 2022





Handelingen 5,27b-32.40b-41


Deze tekst uit Handelingen vertolkt aan het begin en aan het einde het verbod om te spreken in de naam van Jezus. Het werk van de apostelen waarmee wij ons als gedoopten verbinden, botst op obstakels. Het probleem is niet de dubbele doelstelling van de christenen: de interne eensgezindheid en de helende werking naar buiten toe. De tegenstanders reageren op het feit dat de apostelen handelen in de naam van Jezus. De term in kwestie betekent: het handelen baseren op de autoriteit en de kracht van de persoon Jezus. Het stuit de hogepriester tegen de borst dat Jezus het centrale punt is van de concentrische cirkels die op de tweede Paaszondag naar voren kwamen in de eerste lezing. 

Tegenover dit dubbele verbod plaatsen Petrus en de apostelen een dubbele verwijzing naar de gehoorzaamheid aan God. In plaats van zich te onderwerpen aan de autoriteit van de hogepriester en de zijnen, plaatsen de apostelen zich onder het gezag van God zelf. En ze voegen de daad bij het woord. In plaats van te zwijgen, spreken ze. Over Jezus. De apostelen winden er geen doekjes om. In Jezus komt de bovenmenselijke kracht van God aan het licht: Hij heeft Hem doen opstaan uit de dood en Hij heeft Hem verheven tot een hemelse status. Wie de autoriteit van Jezus in vraag stelt, stelt God in vraag. Wie Jezus het zwijgen oplegt, legt God het zwijgen op. Uiteindelijk staat dit het heil van de hogepriester en het Godsvolk in de weg. Door Jezus buiten te sluiten, verliezen ze de toegangspoort tot bekering en kwijtschelding van zonden. Verwijzen deze termen in deze context naar het doel van de christen? Bekering is de eensgezindheid van degenen die zich verbinden met Jezus. Kwijtschelding van zonden is de diepste vorm van genezing. Voor hedendaagse gedoopten komt hier een belangrijke waarheid aan het licht. Christen zijn heeft niet in de eerste plaats te maken met waarden. In principe hebben we ook geen conceptuele overtuigingen te verdedigen. In de kern komt de christelijke identiteit neer op de persoonlijke verbondenheid met Christus. Christen zijn is: spreken, handelen, leven in de naam van Jezus.

Met de apostelen zijn wij geroepen om hierover te spreken omdat we er getuige zijn van geweest. Door het doopsel zijn we ondergedompeld in de dood van Christus om met Hem op te staan in het nieuwe leven dat alleen met God van doen heeft. Het Griekse woord voor getuigen heeft drie betekenislagen. De eerste is die van het zintuiglijk waarnemen: ik heb het zelf kunnen vaststellen. De tweede heeft juridische kracht: ik sta in voor de waarheid van iets. De derde is die van het martelaarschap: omdat ik de waarheid van iets niet kan ontkennen, draag ik er desnoods zelf de negatieve gevolgen van. Alle drie de betekenissen klinken mee en brengen de leerlingen tot de vreugde waarmee deze lezing afsluit. De leerlingen zijn blij te mogen lijden omwille van Jezus’ naam. Het is duidelijk: in hen is de heilige Geest al werkzaam. Uiteindelijk is Gods goede Geest de ultieme getuige van Gods reddende aanwezigheid. 


Apokalyps 5,11-14


Zoals de tweede lezing van de tweede Paaszondag start deze lezing uit het boek Openbaring met ‘Ik, Johannes’. In de Bijbeltekst staat dit niet op deze plaats. Het wordt hier en op andere Paaszondagen toegevoegd om telkens voor ogen te houden dat we in ons mystagogisch traject worden meegenomen door een bevoorrechte getuige. Johannes, die we vorige week hebben leren kennen als onze broeder in het geloof, heeft voor de lokale kerken op schrift gesteld wat hij gezien en gehoord heeft. Hij toont ons de Mensenzoon die zich aan hem geopenbaard heeft. Hij voedt onze verbeelding om ons te richten op het hart van het geloof waarin we zijn opgenomen door de sacramenten van doop, vormsel en eucharistie. 

Ook in deze tekst is de getuigenis van Johannes gebaseerd op kijken en horen. Opnieuw opent zich de hemel voor hem en voor ons. Centraal staat een troon. Het is een beeld van koninklijke macht. De engelen errond maken duidelijk dat hier geen menselijk koninkrijk verbeeld wordt maar het Rijk van God. Naast de engelen staan levende wezens en oudsten op de Goddelijke heerschappij gericht. In apokalyptische teksten vormen beide groepen samen de Goddelijke hofhouding. Hun getal is ontelbaar. We zijn getuige van de grootse majesteit van Gods Rijk. De hemelse hofhouding rond de troon brengt lof aan deze majesteit. 

Nu wordt het beeld complexer. Niet de troon noemt de hofhouding als richtpunt van hun lofprijzingen maar ‘het Lam dat geslacht werd’. Het is een duidelijke verwijzing naar Jezus die als onschuldig slachtoffer zijn leven gegeven heeft. De lofprijzing die Hij ontvangt van de engelen, oudsten en levende wezens is geen vrijblijvend compliment. Luid verkondigen de hemelse wezens dat het leven in zijn totaliteit op Hem afgestemd moet worden: macht, rijkdom, wijsheid en kracht leggen ze alle in zijn handen. Alle eer, heerlijkheid en lof horen Hem toe. 

Het visioen gaat nog verder. Bij het hemelse koor voegt zich vervolgens de hele schepping. Het ganse heelal spiegelt zich aan de hemelse hofhouding als het zich richt op de troon en op het Lam en het offer brengt van lof, roem en kracht. Onmiddellijk volgt de hemelse bevestiging: de levende wezens antwoorden met een woord, de oudsten met een gebaar.

‘Wat betekent deze plechtigheid?’ moest een van de kinderen vragen tijdens het joodse paasfeest. Als de gedoopten zich deze vraag stellen over het eucharistische samenkomen van de christelijke gemeenschap, krijgen zij hier een van de indrukwekkendste antwoorden denkbaar. In de liturgische viering voegt de kerkgemeenschap zich in het koor van engelen en van het ganse universum om het bestaan in zijn totaliteit in de handen te leggen van de Christus die op zijn hemelse troon het centrum vormt van elk leven. 


Johannes 21,1-14


Het eenentwintigste hoofdstuk van het Johannesevangelie speelt zich niet langer af in Jeruzalem. De leerlingen bevinden zich aan het meer van Tiberias. Dat wil zeggen: ze zijn terug thuis. Op aansturen van Petrus keren ze zelfs terug naar hun oorspronkelijke vissersleven. Niet de ontmoeting met de Verrezene in de rituele samenkomst van de zondag wordt hier opgeroepen maar de ontmoeting tijdens het dagelijkse leven. 

De leerlingen stellen vast dat hun vroegere job niet meer lukt. Ze vangen niets. Voor een visser is dat een ramp. Maar als Jezus letterlijk een nieuwe richting geeft aan hun activiteiten, worden ze succesvoller dan ooit. Dan pas volgt de herkenning. ‘Het is de Heer!’ Hij is aan het werk in ons leven. Hij geeft richting. Hij maakt dat ons bestaan, ons werken en handelen zin heeft. Vervolgens krijgt het dagelijkse bestaan een rituele vertaling. ‘Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun’. Doet het aan iets denken? 

Wie leeft in de aanwezigheid van de verrezen Christus ziet zijn leven veranderd op twee niveaus. Het gewone bestaan krijgt meer zin en betekenis. Op een onvermoede manier ontvangt het dagelijkse leven een vruchtbaarheid die voordien onmogelijk leek. Tegelijkertijd opent zich een sacramentele diepte. De verrezen Christus die ons doen en laten volgt, voedt ons met het brood dat Hijzelf ons aanreikt. In actie en contemplatie geeft het christelijke leven gestalte aan de relatie met de verrezen Christus.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be