De Schatkamer

4e zondag van Pasen

8 mei 2022





Handelingen 13,14.43-52


‘Als mensen een deur sluiten, opent God een venster’, zegt een wijze spreuk. De historische ontwikkeling en verspreiding van het christendom is hiervan een voorbeeld. Waar de jonge christengemeenschap van start gaat als een godsdienst van en voor joden, groeit de kloof met het jodendom zienderogen. In de tekst die hier voorligt, legt het boek Handelingen de oorzaak hiervan niet op het inhoudelijke vlak. In eerste instantie gaan vele joden en proselieten immers mee met Paulus en Barnabas. Het conflict ontstaat pas als alle inwoners van Antiochië komen luisteren naar het woord van God. Dit wekt afgunst bij de joden: blijkbaar is het onaanvaardbaar dat onbesnedenen delen in de boodschap die oorspronkelijk alleen voor het volk Israël bedoeld was. Het gevolg is dat de joden hun respect verliezen voor de verkondiging van Paulus. Letterlijk staat er dat ze slecht beginnen spreken over wat goed is. 

Paulus en Barnabas beantwoorden deze blamage met een attitude die kenmerkend is voor de christenen in het boek Handelingen: vrijmoedigheid. In volle vrijheid benoemen ze de realiteit zoals die voorligt. Ze laten zich met andere woorden niet van hun stuk brengen en vermijden aldus twee valkuilen. De eerste is de verdediging van hun positie. Paulus en Barnabas hadden in discussie kunnen gaan met de joden. In plaats daarvan stellen ze vast dat de joden het woord van God afwijzen. Aan het eind van de lezing reageren ze op de fysieke vervolging en uitdrijving door het stof van hun schoenen te schudden. Paulus en Barnabas tonen de innerlijke vrijheid die nodig is om de ander zijn vrijheid te gunnen. De tweede mogelijke valkuil is terugdeinzen en op veilig spelen. Paulus en Barnabas hadden de heidense inwoners van Antiochië kunnen duidelijk maken dat enkel het joodse volk uitverkoren was door de God Schepper en Bevrijder. Ze tonen echter de vrijheid om Gods woord tot ieder te richten die bereid is om te luisteren. ‘Wij richten ons voortaan tot de heidenen’, klinkt het vastbesloten. Hiervoor halen ze wel een argument aan. Uit het Oude Testament, nota bene. Het is aan Jesaja’s lijdende dienaar dat God zegt: ‘Ik heb u bestemd als een licht voor de heidenen, opdat gij redding zoudt brengen tot aan het uiteinde van de aarde.’ 

Niet de historische verspreiding van het christendom staat hier centraal in het mystagogische traject van de Paastijd, noch de relatie tussen christenen en joden. De kracht van de christelijke  vrijmoedigheid komt aan het licht. De christengemeenschap groeit niet omdat de missionarissen grootse projecten opzetten of omdat ze zich verweren tegen mogelijke tegenstanders. ‘Het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek’, staat er. Gods woord handelt en verspreidt zich. Paulus en Barnabas zijn niet meer dan dragers van dit woord. Daarom hebben ze niets te verdedigen en niets te forceren. In totale vrijheid bieden ze slechts aan wat ze hebben ontvangen. Dit leidt tot een dubbele vreugde. De heidenen die de boodschap van redding ontvangen zijn verheugd en verheerlijken het woord van God. De leerlingen op hun beurt zijn vervuld van vreugde en van de heilige Geest. Leven vanuit het doopsel betekent: vervuld van de heilige Geest de vreugde ervaren van de vrijmoedigheid van de leerlingen. 


Apokalyps 7,9.14b-17


Johannes’ visioen groeit aan. Een nieuwe groep meldt zich voor de troon en voor het Lam. Geen hemelse figuren maar menselijke. De groep is gekenmerkt door een dubbele grenzeloosheid: ze zijn ontelbaar en ze zijn super-divers. De witte gewaden en de palmtakken in hun handen zijn in onze cultuur teken geworden van martelaarschap. Het is echter de moeite waard het beeld van de palmtakken te bekijken vanuit joods perspectief. Daar roepen ze immers het Loofhuttenfeest op. Dit is tegelijk een oogstfeest en de gedachtenis aan Gods reddende aanwezigheid in de woestijn. Het eerste boek Koningen vertelt bovendien dat de tempel van Salomon op deze feestdag aan God is toegewijd. Ook vandaag vieren joodse gelovigen het feest in een tent van takken. Voor de troon en voor het Lam staan dus de mensen wiens leven in de fase van de oogst is en die, thuisgekomen in Gods tempel, zijn overvloedige genade vieren. 

Opnieuw wordt in het visioen het beeld aangevuld met klank. De woorden van de oudste verduidelijken dat de in wit geklede menigte de weg afgelegd hebben van de verdrukking naar de tempel. Het Griekse woord dat wij vertalen met verdrukking roept inderdaad een nauwte op, een beklemming die je in de greep houdt en gevangen zet. In die zin worden we herinnerd aan het Bijbelse Egypte. Het Hebreeuwse woord voor het land van farao betekent immers ‘Land van de beklemming’. Bevrijd uit de benauwenis van het leven dragen ze wit als hemelse kleur en zijn ze opgenomen in Gods huis waar zij Gods eeuwige bescherming genieten. Merk op dat het beeld van de tent opnieuw het Loofhuttenfeest oproept. Deze bescherming is totaal: nooit meer honger of dorst, geen zonnesteek of woestijngloed. Ze zullen toeven aan de waterbronnen van het leven. Ook hier klinkt een verwijzing naar het Loofhuttenfeest. Volgens een later joods gebruik haalden de priesters op de laatste dag van het festival water uit de fontein en goten het uit in de tempelhoven. Ondertussen zongen ze de profetische woorden: ‘Met vreugde zal je water putten uit de bronnen van verlossing.’ Verwijzend naar dit gebruik vertelt het Johannesevangelie hoe Jezus op de laatste dag van het Loofhuttenfeest zegt: ‘Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; 

wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: ‘Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.’ 

Hoe heeft deze menigte de weg afgelegd van de verdrukking naar de troon van God? Hoe zijn ze  van de woestijn in het beloofde land geraakt? Hun gewaden zijn gewassen in het bloed van het Lam, verduidelijkt een van de oudsten aan Johannes. Het beeld is tweeledig. Bloed is ten eerste het principe van het leven. De mensen in witte gewaden hebben zich totaal ondergedompeld in Jezus’ leven. ‘Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij’, zegt Paulus. Ten tweede wordt het bloed ook het beeld van het gegeven leven, van het onschuldige slachtoffer. De martelaren hebben zich zo intens met Jezus verbonden dat ze Hem zijn gevolgd in zijn lijden en dood. Daarom staan zij voor de troon van God en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel. Het is de uiteindelijke roeping van elke christen.


Johannes 10,27-30


Vanaf deze zondag keren we in de chronologie van het Johannesevangelie terug naar de periode voor Christus’ lijden en opstanding. Dit neemt niet weg dat we ook deze teksten lezen vanuit het Paasperspectief. Het onderricht en het bidden van Jezus in de evangelieteksten van de vierde tot de zevende zondag verdiepen onze relatie met de Christus met wie wij door de sacramenten verbonden zijn. 

Op de vierde Paaszondag staat traditioneel Jezus als goede herder centraal. Een van de oudste afbeeldingen van Christus is die van de jonge man die een schaapje over zijn schouder draagt. Al in de beroemde psalm 23 wordt God vereenzelvigd met de herder die zijn kudde leidt naar de plek waar eten, drinken en rust is. In Jezus krijgt dit beeld een gelaat. Dat betekent dat de gelovige christen als een schaap is dat zich toevertrouwt aan zijn herder. Wij geloven dat het goed voor ons is als we ons door Hem laten leiden. Wij zijn schapen die luisteren naar zijn stem. 

In deze tekst van Johannes legt Jezus getuigenis af van zijn betrouwbaarheid. De toewijding van de schapen die luisteren en volgen omkadert de woorden: ‘Ik ken ze’. Het Bijbelse ‘kennen’ is niet objectief maar persoonlijk en relationeel. Dat Jezus ons kent, houdt in dat Hij zich met ons verbindt tot in het diepste van onze ziel. In het vers voor het evangelie van deze zondag wordt deze intieme band bovendien wederzijds: ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij’. De grazige weiden waarop deze relatie gericht is, heet ‘eeuwig leven’. Dat is waarheen de herder zijn kudde leidt. De betrouwbaarheid van deze belofte is gebaseerd op God de Vader. Zijn macht komt naar voren in het herderschap van Jezus en vormt de waarborg voor het vertrouwen van de schapen. Vandaar de expliciete verwijzing naar de relatie tussen Jezus en de Vader: ‘Ik en de Vader, wij zijn één’. Aan ons om het vertrouwen hierin te vertalen in de concrete levenskeuzes.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be