De Schatkamer

17e zondag door het jaar

24 juli 2022


Genesis 18, 20-32

Psalm 138, 1-2a, 2bc-3, 6-7ab, 7c-8

Koklossenzen 2, 12-14

Romeinen 8, 15

Lucas 11, 1-13





De relatie die christenen hebben met God is verrassend familiair. Dat blijkt uit de gebedscultuur die vanuit het jodendom via Christus tot ontwikkeling komt in de jonge Kerk. Christenen mogen zich kinderen van God noemen. Ze mogen zich tot God richten als tot een vader die nauw op zijn kroost betrokken is. ‘Gij hebt de Geest van kindschap ontvangen die ons doet uitroepen: Abba, Vader.’ 

Het is bijna onbeschaamd zoals Abraham met God negotieert. Die onbeschaamdheid vind je ook bij Jezus als Hij een fictieve persoon midden in de nacht brood laat vragen bij een vriend. Jezus getuigt van goed psychologisch inzicht als Hij aangeeft dat misschien niet de vriendschapsband maar het onbescheiden aandringen ervoor zal zorgen dat de smekeling zijn drie broden krijgt. Het is een uitnodiging om met een gelijkaardige onbeschaamdheid voor God te gaan staan. Wij mogen Hem dag en nacht bestoken met onze beden. ‘Verhoor mij, Heer, elke dag dat ik U aanroep!’

Toch geeft Jezus geen vrijgeleide om met eender welk gebed God lastig te vallen. Van nature zouden we God permanent bestoken met kleine en grote smeekbedes. Van goed weer via de Clarissen tot goede examenvragen via het kaarsje dat de bomma brandt. Van een goede uitslag van een doktersonderzoek tot het herstel van een gebroken relatie. De film Bruce Almighty toont op humoristische wijze dat dit niet kan werken. Bruce, die tijdelijk de almacht van God mag uitoefenen, is de constante aanvoer van smeekbedes zo beu dat hij alle verzoeken tegelijk inwilligt. Het resultaat is de totale chaos. Zo marcheert het niet.

‘Wanneer ge bidt,’ sprak Jezus, ‘zegt dan: Vader, uw Naam worde geheiligd, uw Rijk kome.’ Het christelijk gebed is niet gericht op mijn vragen en verlangens, niet op de menselijke verwachtingen en strevingen. Het is gericht op God. Zijn Naam en zijn Rijk. De Naam vertegenwoordigt de identiteit. De bede betekent dus: Gij worde geheiligd. Dit herinnert aan het eerste van de tien geboden: Je zal geen God hebben buiten Mij. Het christelijk gebed vraagt om verlossing van alle afgoden die onze aandacht proberen weg te trekken van wat eeuwigheidswaarde heeft. ‘Uw Rijk kome’ vraagt niet om de installatie van een Goddelijke staatsvorm of natie. Het Rijk van God is een situatie, een staat van zijn. Ubi caritas et amor, Deus ibi est, zingen we: Waar vriendschap is en liefde, daar is God. Dat is het Rijk van God. Het voorwerp van het christelijk gebed ligt dus niet in onszelf maar in God. Pas in het twintigste hoofdstuk voegt Lucas er de ons bekende derde bede aan toe. Als Jezus in de hof van Olijven zijn lijden ziet naderen, bidt Hij: 'Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn wil, maar uw wil geschiede.' 

Deze Godgerichte houding vraagt echter om een driedubbele genade van God: dagelijks brood, vergeving van zonden en bevrijding van beproeving. Het dagelijkse brood herinnert aan het manna in de woestijn. Het volk van God was helemaal aangewezen op Gods gaven om te overleven. Elke dag mochten ze slechts voor die ene dag manna verzamelen om te eten. Zo hebben ze geleerd zich volledig toe te vertrouwen aan Gods genade. De vergeving  van zonden vertolkt het bewustzijn dat geen enkele mens de kracht in zich draagt om deze totale overlevering aan God waar te maken. ‘Als Gij de zonden blijft gedenken’, zegt de psalm, ‘wie houdt dan stand?’ ‘Leid ons niet in bekoring’ is recent in het Nederlands vertaald als ‘breng ons niet in beproeving’. Het is een bede om gespaard te blijven van alle mogelijke afleidingen en obstakels die ons willen wegtrekken van onze verbondenheid met God. Denk aan de zorgen van Marta die haar verhinderen om Jezus waarlijk te ontvangen. 

Paulus nu verkondigt met vuur dat God al verhoord heeft waarvoor we bidden. ‘Hij heeft ons al onze zonden vergeven’, schrijft hij. Wat wij op onze kerfstok hadden, heeft Hij op het kruis genageld. Christus is gestorven voor onze zonden. Het is precies op deze geloofswaarheid dat de overtuiging is gestoeld dat wij een familiaire – of moeten we zeggen familiale – band met God hebben. In de doop is de macht van de zonde voorgoed gebroken en hebben wij de Geest ontvangen. De Geest van kindschap die ons doet uitroepen, Abba, Vader. Het is ten diepste om deze Geest dat wij blijven bidden. ‘Uw Vader in de hemel [zal] de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.’


kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be