De Schatkamer

20e zondag door het jaar

14 augustus 2022


Jeremia 38, 4-6, 8-10

Psalm 40, 2, 3, 4, 18

Hebreeën 12, 1-4

Handelingen 16, 1-4b

Lucas 12, 4ç-53








‘Als ge ergens binnengaat, laat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis.’ Zo heeft Jezus de 72 leerlingen voor zich uitgestuurd. De evangelietekst van vandaag spreekt dit niet tegen. Het is de bedoeling vrede te zaaien. In de praktijk werkt het echter anders en stel je vast dat het tegendeel gebeurt. Vrede is de verbinding van alle mensen. Verdeeldheid is de ontbinding van menselijke relaties. Overigens klonk iets van de onenigheid al mee in de zending van de leerlingen. Jezus had het daar immers over huizen die zijn vrede niet zouden accepteren. 

Christus’ vrede is geen lieve vrede. Om de lieve vrede zwijgen mensen en vegen ze dingen onder de mat. Christus’ vrede is een vuur. Op verschillende plaatsen in de Bijbel maakt het vuur de scheiding tussen wat vergaat en wat onvergankelijk is. Paulus spreekt in de eerste brief aan de Korintiërs bijvoorbeeld over onze opdracht om verder te bouwen op het fundament dat Christus is. Het vuur zal vervolgens de kwaliteit van dit bouwwerk aan het licht brengen. Sommigen zullen met hout, hooi of stro hebben gebouwd. Hun werk zal verloren gaan. Sommigen met goud, zilver of kostbare stenen. Hun werk zal gezuiverd worden door het vuur. Denk aan de tegenstelling aards-hemels, voorbijgaand-eeuwig die al verschillende keren aan bod is gekomen in de zondagslezingen. Wie Christus’ vrede zoekt, zal de kracht moeten ontvangen om radicaal nee te zeggen tegen wat van het onvergankelijke afleidt. Dit wekt tegenstand op en dus verdeeldheid.

De profeet Jeremia voelde al bij zijn roeping nattigheid. Vandaag horen we hoe hij de verdeeldheid aan den lijve heeft ondervonden. Zijn woorden ontmoedigen het volk. Jeremia’s boodschap is dan ook hard. Hij wijst het volk op zijn ontrouw jegens God en op de verschrikkelijke gevolgen daarvan. Om de lieve vrede moeten we hem het zwijgen opleggen, vinden de edelen die alles bij het oude willen laten. ‘Laat die profeet Jeremia ter dood brengen.’ Ebed-Melek daarentegen noemt de veroordeling van Jeremia een misdaad. Ertussenin staat koning Sidkia. Hij hoort de edelen en levert Jeremia aan hen over. Hij hoort Ebed-Melek en beveelt Jeremia’s vrijlating. Hij lijkt het allemaal niet te weten. En Jeremia? Hij heeft ocharme geen stem in dit gebeuren. Hij ondergaat het. Zou Jezus aan Jeremia denken als Hij zegt: ‘Ik moet een doopsel ondergaan?’ Letterlijk staat er: ‘Ik heb een onderdompeling om in ondergedompeld te worden’. Misschien heeft Jezus Jeremia voor ogen terwijl die neergelaten wordt in de waterput waarin geen water staat maar modder waarin hij langzaam wegzinkt. Misschien bidt Hij op zo’n moment ook psalm 40: ‘Heer, kom haastig mij te hulp,’ en hoort Hij de getuigenis van de profeet die de onderdompeling overleefd heeft: ‘Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt en Hij sloeg acht op mij. Hij heeft geluisterd naar mijn roepen, mij uit de modderpoel van leed gered.’ 

Het is ondertussen al enkele weken geleden dat we hoorden hoe Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem aanvatte. In zijn beklemming voelen we het uur van zijn verheffing naderen. 

Het evangelievers maakt echter duidelijk dat niet Jezus’ lijden de focus krijgt deze zondag. ‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem, zegt de Heer; en Ik ken ze en zij volgen Mij.’ We blijven vandaag opnieuw stilstaan bij Jezus’ volgelingen. 

Wij horen de radicale taal van Jezus. Wij voelen wellicht ook weerstand. Blijven wij luisteren naar zijn stem? Blijven we Hem volgen? Zijn we als de edelen die ontmoediging vrezen en status quo wensen? Dan komen we in het kamp van degenen die Gods stem willen smoren. Zijn we als de koning die van beide walletjes eet? Dan verliest ons leven elke richting. Of zijn we Ebed-Melek? Zijn naam betekent ‘dienaar van de koning’. Dat mogen wij vandaag verstaan als ‘dienaar van Christus Koning’. Dan zal het vuur ons niet verslinden maar zuiveren. Wie het verhaal van Ebed-Melek kent, weet trouwens dat zijn inzet niet onopgemerkt is gebleven. In Jeremia 39 lezen we de volgende woorden van God tot Ebed-Melek: ‘Ik zal u redden; ge zult niet vallen door het zwaard; ge brengt het er levend af, omdat ge op Mij hebt vertrouwd’. 

Wees een Ebed-Melek, zegt de Hebreeënbrief aan alle christenen: ‘Laten we ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof’. Daarvoor moet je de ogen gericht houden op Jezus, ‘de aanvoerder en voltooier van ons geloof’. Hij is inderdaad in het lijden ondergedompeld maar ‘nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon’. Deze weg hebben wij nog af te leggen. We hebben ons ingeschreven voor de loopwedstrijd, zegt de Hebreeëntekst. Het is nu aan ons om die weg vastberaden te voltooien. Laten ook wij daarvoor psalm 40 in de mond nemen: ‘Heer, kom haastig mij te hulp!’

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be