De Schatkamer

24e zondag door het jaar

13 september 2020


Sirach 27, 30-28, 7

Psalm 103, 1-2, 3-4, 9-10, 11-12

Romeinen 14, 7-9

Johannes 13, 34

Matteüs 18, 21-35



Opnieuw starten we deze zondag met het zondig handelen van een broer of zus. Terwijl vorige week de verzoening met God het perspectief was, brengt Petrus de intermenselijke relatie in het vizier. Moet ook ik vergeven? En hoe vaak dan? Het antwoord van Jezus is beroemd. Niet zeven keer maar zeventig maal zeven keer. Overigens wil dit niet zeggen dat je de 491ste keer ontlast bent van deze opdracht. Er staat geen limiet op de roeping om te vergeven. Jezus baseert deze stelling op de verzoening die God reeds heeft aangeboden in Hemzelf. Denk aan het evangelievers van vorige zondag.

In de dialoog met Petrus ligt de focus op de vraag of er een limiet bestaat. Daardoor verdwijnt het proces van de vergeving wat achter de schermen. Het lijkt wel of je eender welke misdaad onmiddellijk moet vergeven. Dat gaat in tegen onze ervaring en tegen ons rechtvaardigheidsgevoel. Ik ken nogal wat mensen die serieus gekwetst zijn in hun leven en die eronder lijden dat ze voorlopig niet in staat zijn de dader te vergeven. Het begin van deze evangelietekst lijkt hen bovendien nog eens een religieus schuldgevoel aan te praten. Je bent een slechte christen als je niet onmiddellijk tot vergeving overgaat. Gelukkig brengen het tweede deel van het evangelie en de tekst uit het oude testament wat nuance.

Als Jezus zijn antwoord aan Petrus staaft met het beeld van de rijke man en de twee schuldenaars, wordt om te beginnen duidelijk dat Hij het heeft over een situatie waarin iemand om vergeving vraagt. Vergeven kan je slechts als de schuld erkend wordt. Vergeving is een antwoord op een vraag om kwijtschelding. Niet toevallig situeert het beeld dit gebeuren in een financiële context. De schuldenaar die het af te betalen bedrag niet kan produceren, vraagt om kwijtschelding van de schuld. Het verlies blijft maar het wordt je niet meer aangerekend. De kwetsuren van het slachtoffer blijven, de pijn blijft en dus ook het verdriet en zelfs de woede. En toch is vergeving mogelijk: het slachtoffer eist geen genoegdoening meer. De ongelijke verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar wordt vereffend. Dit kan je nooit verplichten. Het moet een vrije daad zijn: een genadehandeling.

En toch verwacht Jezus dit van zijn leerlingen. Het beeld maakt het duidelijk. De schulden die wij zelf kunnen eisen van anderen vallen in het niet tegenover de schulden die God zou kunnen eisen van de mensheid. Aangezien Hij in een vrije daad beslist heeft deze schulden kwijt te schelden, zou het hooghartig van ons zijn om zelf ook niet genade tonen aan wie ons daarom vraagt.

Het alternatief is niet wenselijk, schrijft Sirach. Wrok en wraak zijn geen oplossing, ze maken de situatie erger. We lazen het de zevende zondag al in het boek Leviticus. Wraak herhaalt het kwaad. Het slachtoffer wordt dader en andersom. Wrok koestert het kwaad op zo’n wijze dat het schade blijft aanrichten in het slachtoffer. In beide gevallen blijft de oorspronkelijke misdaad actief en levend. Alleen vergeving maakt een einde aan het kwaad en opent toekomst. Dit is de kern van het verbond tussen God en mensen, horen we in de eerste lezing. Wie zijn heil zoekt bij God, moet zelf bron van heil worden voor de mensen rondom hem.

Ieder op zijn niveau is geroepen om beeld te worden van de God die wordt bezongen in Psalm 103. ‘De Heer is barmhartig en welgezind, lankmoedig en goedertieren.’ We hoorden het dit liturgische jaar al verschillende keren. De Hebreeuwse woorden achter deze vier kenmerken van God zijn revelerend. Barmhartigheid is de mateloze liefde van de moeder voor haar kind. Welgezindheid is de vertaling van een woord dat in de Bijbel enkel voorkomt als een Goddelijk attribuut. Het vertolkt hoe God geraakt wordt door het lijden van zijn mensen en hen niet in de steek laat. Lankmoedigheid is de weergave van een Hebreeuwse beeldspraak: een lange neus. Stel je een woedende persoon voor die krachtig door de neus inademt voor hij uitbarst. Hoe langer de neus, hoe meer tijd tot de explosie. Hoe groter de kans ook dat hij tot bedaren komt. Iemand met een lange neus wordt met andere woorden niet snel kwaad. Zo is onze God. Goedertierenheid is de weergave van de zachte goedheid die God zo overvloedig kenmerkt. De liefde van God maakt dat Hij ‘u uw schulden vergeeft’, ‘u geneest van uw kwalen’, ‘u van de ondergang redt’ en ‘u omringt met zijn gunst en erbarmen’. Wie die liefde ontvangt, is geroepen ze ook door te geven. Het vers voor het evangelie bevestigt het: ‘Een nieuw gebod geef Ik u, zegt de Heer, gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad’.

Gods liefde, zoals die gestalte heeft gekregen in Jezus, wordt op deze manier de grond, het doel en de zin van ons bestaan. Paulus drukt het zo uit: ‘Of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe’.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be