De Schatkamer

17e zondag door het jaar

26 juli 2020


1 Koningen 3, 5, 7-12

Psalm 119, 57 en 72, 76-77, 127-128, 129-130

Romeinen 8, 28-30

Vgl. Mattëus 11, 25

Matte¨s 13, 44-52


Wat zou jij antwoorden? Stel je voor dat de Heer ’s nachts aan jou verschijnt in een droom en vraagt: ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ Wat komt er het eerst in je op? De Bijbelse traditie gaat ervan uit dat je instinctieve antwoord ‘rijkdom’ is. Niet per se op financieel niveau. Wat jij denkt nodig te hebben om gelukkig te zijn, noemt de Bijbel rijkdom. Op zich is er niets mis mee dit te antwoorden. Het is eigen aan de mens dat hij beelden koestert van wat geluk is. Het is goed zich bewust te worden van wat een natuurlijke aantrekkingskracht heeft. Het openbaart iets over jezelf en je geschiedenis. Toch waarschuwen de lezingen van deze zondag tegen een overhaast antwoord op Gods vraag. Het instinctieve beeld van een gelukkig leven is immers geen garantie tot het eigenlijke geluk. Misschien moet het oorspronkelijke verlangen uiteindelijk wel plaatsmaken voor een onverwachte, nieuwe weg.

Jezus gaat verder met het openbaren van de geheimen van het Rijk Gods. Vandaag presenteert Hij dit Rijk als een schat en als een parel die eerst verborgen en onbekend waren maar plots tevoorschijn treden. De gelukkige vinder heeft geen enkele verdienste aan de waarde van de schat of aan de schoonheid van de parel. Wat hem kenmerkt, is dat hij zijn vondst naar waarde weet te schatten. Dit vertaalt zich in het verkopen van alles wat hij bezit om dat te investeren in de schat, respectievelijk de parel. Zijn invulling van het woord ‘rijkdom’ verplaatst zich. Tot nu toe hield hij zich vast aan zijn oorspronkelijke bezittingen. Dit is het beeld van de mens die blijft bij zijn intuïtieve antwoord op de vraag: ‘Wat wil je dat Ik voor je doe?’ De man op de akker en de koopman erkennen op een bepaald moment dat er een ander en beter antwoord is op de vraag. Dat geeft hun de kracht om hun oorspronkelijke beeld van geluk los te laten.

Koning Salomo vervult in de heilsgeschiedenis de rol van de mens die tot deze moedige beweging in staat was. Als God hem in een droom naar zijn diepste wens vraagt, bidt hij om een opmerkzame geest opdat hij recht kan spreken en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Ik wed dat deze bede bij niemand in de hele wereld het eerste antwoord is dat opkomt als je een wens mag doen. Welke weg heeft Salomo afgelegd om tot deze bede te komen? Zijn antwoord is niet gebaseerd op zijn persoonlijke fantasieën over geluk. Kijk naar de tekst. ‘Salomo antwoordde: ‘Heer, Gij hebt uw dienaar tot koning verheven’.’ Voor Salomo is het startpunt de roeping die hij van God ontving. Niet toevallig noemt hij zich in zijn antwoord drie maal ‘uw dienaar’. Niet toevallig verwijst hij drie maal naar het volk waarover hij als koning is aangesteld. Salomo beseft dat zijn persoonlijke geluk verbonden is met zijn Goddelijke roeping. Daarin schuilt zijn wijsheid. Dat is de schat in de akker, de prachtige parel op de markt.

Tijdens deze zondagsliturgie willen we ons oefenen om deze houding ook zelf aan te nemen. Opnieuw is Psalm 119 daarvoor de aangewezen weg. We herinneren ons dat Gods wet niet een stel regels is maar zijn ‘wijzing’, zijn roep om te leven in zijn richting. ‘Hoezeer is uw wet mij lief, Heer’, zingen we in het keervers. Wij zijn het die op de akker een schat vinden. Wij ontdekken op de markt een ongekend mooie parel. Zijn wet is ons lief omdat Hij de weg is naar het ware geluk. Met Psalm 119 zetten we alle andere wegen naar geluk hiervoor opzij. ‘De wet uit uw mond is mij meer waard dan schatten van zilver en goud’, bidden we. En: ‘Ik begeer wat Gij hebt geboden boven het fijnste goud.’

In zijn brief aan de Romeinen beschrijft Paulus beknopt maar haarfijn dit traject van roeping naar geluk. ‘Wij weten dat God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben, van hen die volgens zijn raadsbesluit geroepen zijn.’ Wij die net onze liefde voor zijn ‘wet’ hebben uitgezongen mogen ons aangesproken voelen. Wij zijn de geroepenen onderweg naar het heil. Met een reeks werkwoorden schetst Paulus de manier waarop God dit realiseert in ons: tevoren gekend en bestemd, voorbestemd, geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt. Driemaal is in deze werkwoorden sprake van een ‘vooraf’. God kent zijn mensen vooraf en heeft ze voorbestemd. Dit laatste werkwoord is een vertaling van het Griekse woord ‘voor-zien’. Je verstaat dit best niet als een chronologische uitspraak. Alsof God alles zo gepredestineerd heeft dat de menselijke vrijheid wordt uitgeschakeld. Het is een kwalitatieve uitspraak. God kent ons beter dan wij onszelf kennen. Hij ziet onze toekomst en ons heil beter dan wij ooit kunnen. Vandaaruit groeit onze roeping die de weg is naar verheerlijking.

Voor Paulus is dit geen abstracte realiteit. De weg, de schat, de parel, de wijsheid: ze hebben een menselijk gezicht. Jezus is zijn naam. Het ultieme geluk vind je in de gelijkvormigheid aan Hem. Misschien mag dat dus ons antwoord zijn als God ons in een droom vraagt: ‘Wat wil je dat Ik voor je doe?’ ‘Heer,’ zullen we antwoorden, ‘maak ons gelijkvormig aan uw Zoon.’

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be