De Schatkamer

2e zondag in de veertigdagentijd

28 februari 2021


Genesis 22, 1-2, 9a, 10-13, 15-18

Psalm 116b, 10 en 15, 16-17, 18-19

Romeinen 8, 31b-34

Marcus 9, 7

Marcus 9, 2-10



Van de oertijd zetten we op deze tweede zondag van de veertigdagentijd de stap naar het begin van de geschiedenis van het volk Israël. Ook met het nageslacht van Noach is het fout gelopen. Ze bouwden een toren omdat ze God van zijn troon wilden stoten. God willen zijn: het is de fundamentele zonde. Het verbond waarover we vorige week hoorden, liet echter niet toe dat God nog eens van nul zou beginnen. Dus verandert Hij van tactiek. In plaats van te werken met de hele schepping tegelijk, creëert Hij een eigen volk. Met Abram begint de geschiedenis van een klein volk dat als roeping heeft uiteindelijk tot zegen te zijn van alle volken van de wereld. Maar dan moet het wel ingaan op zijn fundamentele roeping: van God zijn. 

Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Hoe laat je zien dat je van God bent? Door je bestaan in Gods handen te leggen. Door je eigen strevingen los te laten en je in te schakelen in het project van de Schepper. Dat is niet niets. Dat is een radicale stap. 

Daarover gaat de eerste lezing. Voor hedendaagse oren is het verhaal van de eerste lezing moeilijk te plaatsen. Terecht komen bij ons allerlei vragen en bezwaren naar boven als we horen welke onmenselijke daad Abraham moet stellen van God. 

Toch zijn we uitgenodigd daar niet bij te blijven stilstaan. Op een of andere manier dient dit merkwaardige verhaal zich aan als Blijde Boodschap. Meer nog, het is een van de belangrijkste teksten uit het Oude Testament. Op welke wijze openbaart God zich aan ons in deze tekst?

Om te beginnen, is dit gebeuren de ultieme geloofsdaad van Abraham. Dat hij bereid is zijn zoon aan God toe te vertrouwen, betekent dat hij zijn eigen levensproject ondergeschikt acht aan de wil van God. Dit is het toppunt van gelovig vertrouwen. Abraham had alles achtergelaten op basis van Gods belofte dat hij land zou ontvangen en de vader zou worden van een groot volk. Dat dit nageslacht er niet vanzelf gekomen is, weten we. Sara kreeg geen kinderen. Pas toen het biologisch onmogelijk geworden was, werd Sara zwanger. Isaäk is niet het product van menselijke voortplanting maar van Goddelijke genade. Maar of Abraham dat wel begrepen heeft en geaccepteerd, dat wil God nu testen. Voor deze proef slaagt Abraham met glans. En daarom zet God zijn plan verder. God zal de nakomelingen van Abraham talrijker maken dan de sterren aan de hemel. Bovendien herhaalt God ook de derde belofte die Hij naast land en nageslacht aan Abraham had gedaan: ‘Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde omdat gij naar Mij hebt geluisterd.’ 

Hier wordt deze eerste lezing ook Blijde Boodschap voor ons. Wij zijn de ontvangers van die zegen. Hoe? Een vader die bereid is zijn zoon uit handen te geven om zijn liefde te tonen, zegt het je iets? Vorige week leerden we Jezus kennen als een nieuwe Noach, nu krijgt Hij het gelaat van Isaäk. ‘God heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard,’ zegt Paulus in de Romeinenbrief, ‘voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd.’ Zoals Abraham het beste van zichzelf in de handen legt van God, zo levert God het schoonste van zichzelf aan ons uit. ‘Dit is mijn welbeminde Zoon’, zegt de stem uit de hemel als Petrus, Jakobus en Johannes hun meester zien in zijn Goddelijke luister. God legt zijn grote liefde in menselijke handen, wetend dat Hij niet op het laatste moment gered zal worden. Zelfs dat zal de overwinning van de liefde echter niet in de weg staan. Tot tweemaal toe horen we, vijf weken voor Pasen, de opstanding van Christus verkondigen. ‘Christus Jezus misschien, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en die, gezeten aan Gods rechterhand, onze zaak bepleit?’ zegt Paulus. In het evangelie klinkt het zo: ‘Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.’ 

Met dit in het achterhoofd kijken we naar het keervers van de antwoordpsalm. ‘Ik mag weer leven onder Gods oog in het land van de levenden.’ Wie is hier aan het woord? Horen we Isaäk die niet moet sterven? Of horen we nu al de verrezen Christus, die opgestaan uit de doden, zetelt aan Gods rechterhand? Of gaat dit over ons en mogen wij ons gelukkig prijzen? 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be