De Schatkamer

tweede zondag van de Advent

8 december 2019


Jesaja 11, 1-10

Psalm 72, 1-2, 7-8, 12-13, 17

Romeinen 15, 4-9

Lucas 3, 4-6

Matteüs 3, 1-12

‘Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht, en heel de mensheid zal Gods redding zien’. Het vers voor het evangelie zet een beweging in gang die omgekeerd is aan die van de eerste zondag. Toen plaatste het vers ons in een biddende houding tegenover God. Het was uitkijken naar zijn handelen. Nu horen we een profetische oproep. God kijkt uit naar ons handelen.

Nochtans komt ook op deze tweede zondag eerst Jesaja aan het woord met een schitterend visioen van Gods doortastende handelen. Isaï, ook gekend als Jesse, is de vader van David. Jesaja kondigt aan dat iemand uit zijn nageslacht, doordrongen van Gods geestkracht, de wereld tot een plaats van gerechtigheid en vrede zal maken. Eerlijkheid en geweldloosheid zullen heersen. Niemand zondigt meer, niemand doet nog kwaad. Opnieuw heeft dit visioen universele kracht: ‘Alle naties zullen naar hem toestromen’. Psalm 72 viert de rechtvaardigheid en de welvaart die in die dagen zullen ontbloeien. De antwoordpsalm bevestigt de idee dat het volk deze doelen niet moet realiseren. Ze zijn een geschenk van God dat realiteit wordt dank zij de koning die namens God met wijsheid regeert. Ook op deze tweede zondag van de advent kijken we uit naar Gods heil en zijn redding. Ook vandaag bidden we om zijn barmhartigheid. Van Hem moet het komen. Toch vestigen de lezingen de aandacht op ons aandeel in dit gebeuren. De weg van de Heer bereiden, wat betekent dat? Zijn paden recht maken, hoe doe je dat? Belangrijke vragen als je weet dat hiervan afhangt of heel de mensheid Gods redding zal zien.

Daarom betreedt Johannes de Doper het toneel. Zijn antwoord is: bekering. ‘Bekeert u want het Rijk der hemelen is nabij,’ predikt hij. Later in het liturgische jaar zal blijken hoe belangrijk deze verkondiging is voor Jezus’ blijde boodschap volgens Matteüs. Nu ligt de nadruk op Johannes’ rol in de geschiedenis van het komende heil. Matteüs gebruikt verscheidene Oudtestamentische verwijzingen om de betekenis van de Doper te verhelderen. Om te beginnen past hij een citaat van Jesaja toe op Johannes: hij is de stem die roept in de woestijn om de komst van de Heer voor te bereiden. De verwijzing in het volgende vers is niet zo expliciet. Op het eerste gezicht is het een beetje raar zelfs dat we te horen krijgen over de kledij van Johannes. Als je het eerste hoofdstuk van het tweede boek Koningen leest, wordt veel duidelijk. Als boodschappers bij de koning komen en hem vertellen over een profeet die ze hebben ontmoet, vraagt de koning: ‘Wat was het voor iemand die u tegemoet kwam en u dit gezegd heeft?’ De boden antwoorden: ‘Het was iemand met een haren mantel en met een leren gordel om zijn middel.’ Daarop reageert de koning: ‘Dan was het Elia de Tisbiet’. Johannes de Doper wordt niet alleen gelinkt aan Jesaja’s stem in de woestijn, hij wordt ook opgevoerd als een nieuwe Elia. Waarom is dit belangrijk? De laatste woorden van ons Oude Testament maken van Elia de aankondiger van Gods doorslaggevende handelen in de geschiedenis: ‘Zie, Ik ga u de profeet Elia zenden voordat de dag van de Heer komt, de grote vreeswekkende dag.’ In mijn Bijbeluitgave staan deze woorden op pagina 1396. Matteüs’ allusie dat Johannes de nieuwe Elia is, vind je op pagina 1402.

Het is echter geen goedkope redding die Johannes te bieden heeft. Het vraagt een herijking van je hele leven. Dat merken de Farizeeën en Sadduceeën. Zij plaatsten zich van nature boven het gepeupel. Daarmee vergaten ze het visioen van Jesaja: ‘De kleinen zal hij recht verschaffen, een eerlijk vonnis uitspreken over de geringsten der aarde’. Wie zich vanuit een hooghartige positie aandient bij Johannes voor een doopsel van bekering krijgt het deksel op de neus.

Welke houding nemen wij aan als we ons op de tweede adventszondag aanmelden bij de Doper? Paulus spreekt de christenen van Rome toe. De Bijbelse woorden, zegt hij, zijn bedoeld opdat wij ‘door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven’. Het is interessant om in te zoomen op de Griekse woorden die hier vertaald zijn als volharding en vertroosting. De letterlijke vertaling van de eerste Griekse term is: ‘onder-blijven’. Het woord suggereert dat je het uithoudt onder zware druk. Je muist er niet onderuit. De tweede Griekse term – paraklèseoos – komen we ook tegen als Jezus spreekt over de Heilige Geest. In het Johannesevangelie noemt Jezus de Geest de ‘parakleet’: de vertrooster. Het beeld is dat van iemand die heel dicht bij jou staat en een dringende boodschap geeft ten behoeve van jou. Daar ligt de basis van de christelijke hoop: het complexe leven uithouden omdat iemand ons woorden influistert van troost en bemoediging, van verbondenheid en erbarmen. Ook voor Paulus is het duidelijk dat dit alles een geschenk van God is en geen menselijke prestatie. Toch roept ook hij op om met de juiste gesteltenis dit geschenk te accepteren: eensgezind, één van hart, in de Geest van Christus Jezus. Aan de manier waarop christenen met elkaar omgaan, moet je kunnen zien hoe God zich met de wereld verhoudt. Zo bereid je de weg van de Heer.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be