De Schatkamer

30e zondag door het jaar

25 oktober 2020


Exodus 22, 20-36

Psalm 18, 2, 3-4 47 en 51ab

1 Tessalonicenzen 1, 5c, 10

Johannes 4, 23

Matteüs 22, 34-40



De vijfde zondag op rij zijn we getuige van een confrontatie van Jezus met zijn tegenstanders. Het gesprek dat Hij ondertussen blijkbaar had met de Sadduceeën laten we voor wat het is. Nu komt eindelijk een rechtstreekse discussie met de Farizeeërs. Zij worden vertegenwoordigd door een wetgeleerde. ‘Wat is het voornaamste gebod?’ is geen rare vraag. Het Joodse systeem maakt een onderscheid tussen grote en kleine geboden maar er bestaat geen consensus over de interne ordening. De vraag zal in andere contexten al eerder hebben geklonken. Met zijn antwoord zal Jezus zich dus moeten meten met de grootste wetgeleerden. Er bestonden verschillende scholen. Sommige wetgeleerden accentueerden de offerliturgie. Anderen de reinheidsregels. Jezus kiest voor de liefde.

Kan liefde eigenlijk wel voorgeschreven worden door de wet? Laten we beide termen – liefde en wet – in hun Bijbelse context plaatsen. De Bijbelse liefde is geen kwestie van emotie. Het gaat niet over romantiek, laat staan erotiek. Liefde is de beslissing om zich met elkaar te verbinden in goede en kwade dagen. Het is een keuze die vraagt om trouwe standvastigheid. Wat de wet betreft, hebben we al vastgesteld dat dit een zwakke vertaling is van ‘tora’. In voorgaande zondagen hebben we deze term gekoppeld aan het concept richting. Met Waaijman hebben we gesproken over Gods ‘wijzing’. De vraag naar het voornaamste gebod van de tora peilt naar de sterkste manier waarop de mens zich kan bewegen in de richting van God. Voor Jezus is het zo klaar als een klontje: de liefde.

Het vers voor het evangelie herinnert er ons aan dat de liefde tussen God en mens om wederkerigheid vraagt: ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen’. Om dit citaat uit het Johannesevangelie goed te verstaan, leggen we er de eerste brief van Johannes naast: ‘Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen. Vrienden, als God ons zozeer heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben.’ Het startpunt van het gebod van de liefde is de verkondiging dat wij bemind zijn. Christus is degene die deze liefde tot bij ons heeft gebracht. Nu is het aan ons om deze liefde zelf waar te maken. Jezus maakt duidelijk dat deze opdracht zich in twee richtingen vertaalt. ‘Gij zult de Heer uw God beminnen’ en ‘Gij zult uw naaste beminnen’. Dat is niet hetzelfde maar de twee zijn wel gelijkend, zegt de Griekse tekst.

De eerste lezing zet ons op het spoor van de liefde tot de naaste. Onmiddellijk wordt duidelijk dat dit geen evidente opdracht is. De liefde tot de naaste vertaalt zich in de manier waarop we omgaan met mensen die we van nature – eerlijk gezegd – liever kwijt dan rijk zijn. De Bijbelse naaste is immers niet de persoon die je het meest na aan het hart ligt. Het is degene die ervoor zorgt dat je minder ruimte hebt. In een nomadencultuur zelfs heel letterlijk: degene die te veel ruimte inneemt in de tent en het je moeilijk maakt om goed te slapen. Dat is je naaste. In dit cruciale hoofdstuk van Exodus blijkt dat God een enorm belang hecht aan de manier waarop zijn volk met de naasten omgaat. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat wie aan een noodlijdende raakt, ook Hem kwetst. Merk de ironie: wie niet zorgt voor weduwen en wezen is er zelf de oorzaak van dat zijn vrouw een weduwe en zijn kinderen wezen worden. Het Godsvolk moet mensen in nood behandelen met dezelfde liefde die God voor hen heeft: ‘Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.’

Wie is jouw naaste? Wie is de persoon die jou het gevoel geeft dat je levensruimte bedreigd is? Wie kost je slaap? Wie ben je – eerlijk gezegd – liever kwijt dan rijk? Wie kijkt naar je op en smeekt om medelijden? In die persoon situeert zich jouw voornaamste manier om Gods wijzing te volgen. Het mag duidelijk zijn dat we hier onmiddellijk stoten op onze grenzen. Daarom moet de liefdesrelatie met de naaste gefundeerd zijn in de liefdesrelatie met God. Daarom bidden we met Psalm 18: ‘Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij.’ Omdat onze God zich aan ons laat kennen als toevlucht, burcht en bevrijder, kunnen wij op onze beurt toevlucht, burcht en bevrijder worden.

Dat is wat Paulus herkent in de christenen van Tessalonica. Hij prijst hen omdat ze zich van de afgoden hebben afgekeerd om de levende en waarachtige God te dienen. ‘Gij zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest.’ Zij leven in de liefde van de Heer. Nu wij nog.

 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be