De Schatkamer

Derde zondag van de advent

13 december 2020


Jesaja 60,1-2a.10-11

Lucas 1,46-48, 49-50, 53-54

1 Tessalonicenzen 5,16-24

Jesaja 61,1

Johannes 1,6-8.19-28


Zoals vorige week horen we ook op de derde zondag van de advent over Johannes de Doper. Op het eerste gezicht lijkt het een herhaling van dezelfde boodschap: ‘Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer!’ Toch voegt dit relaas van de evangelist Johannes wel degelijk iets toe aan de boodschap van de tweede adventszondag: ‘Onder u staat Hij die gij niet kent,’ verkondigt Johannes. Plots komt de koning van de vrede veel dichterbij. Hij moet zelfs niet meer komen, hij is er al. Het enige probleem is dat hij nog niet herkend wordt. 

‘Midden onder u staat Hij die gij niet kent’, zingen we op een melodie van Bernard Huijbers in het lied Omdat Hij niet ver wou zijn. In de laatste strofe verbindt auteur Huub Oosterhuis dit met de oproep tot vreugde: ‘Weest verheugd, van zorgen vrij’. De derde zondag van de advent draagt de traditionele naam Gaudete – Verheugt u. De naam is afkomstig van het eerste woord van de Gregoriaanse Introitus van deze zondag: ‘Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! De Heer is nabij.’ De nabijheid van God is ook in de tekst van Oosterhuis de reden tot vreugde: ‘God die wij aanbidden is ons rakelings nabij, wonend in ons midden’. 

Zelfs voor Kerstmis vieren we de aanwezigheid van God onder ons. Er mag vreugde zijn. Van deze blijheid spreken de eerste lezing, de antwoordpsalm en de tweede lezing. Telkens komt een ander aspect van Gods aanwezigheid in beeld. 

De profeet Jesaja spreekt over de vreugde die hij ervaart over zijn eigen roeping. ‘Ik wil jubelen en juichen in de Heer want Hij heeft mij bekleed met het kleed van het heil en mij de mantel van de gerechtigheid omgehangen’. Het kleed en de mantel zijn niet zomaar kledingstukken. Ze zijn beeld van een nieuwe identiteit die Jesaja van ontvangt. Hij wordt drager van geschenken die alleen van God kunnen komen: heil en gerechtigheid. De tekst reikt ook een ander beeld aan om dezelfde realiteit te verwoorden: ‘De geest van de Heer God rust op mij; Hij heeft mij gezalfd’. God zelf is aanwezig in de mensen die zo doordrongen zijn van Gods geest dat ze zijn woorden spreken en zijn zegen doen neerdalen over anderen. 

Dezelfde jubelkreet vormt het keervers van het antwoordlied. Deze keer geen psalm maar een lied uit het Lucasevangelie. Meer bepaald antwoorden we op de eerste lezing door ons aan te sluiten bij het Magnificat van Maria. Ze gebruikt dezelfde woorden als Jesaja om haar vreugde te uiten. Toch is er ook verschil. Terwijl de profeet drager is van Gods heil, gerechtigheid en blijde boodschap, wordt Maria de ruimte waarin God een menselijk gelaat zal krijgen. Nog onzichtbaar voltrekt zich in haar het onvoorstelbare. Dat de grootsheid van God zich identificeert met de kleinheid van de mens. Dat de mensheid op zo’n manier opgetild zal worden tot op Goddelijk niveau. 

In de brief van Paulus aan de gemeenschap van Tessalonica verspreidt de vreugde zich over alle christenen. De blijheid van de profeet en van de Moeder Gods worden de blijheid van een heel volk. Allen zullen immers dezelfde soort genade ondervinden als degene die Jesaja en Maria te beurt zijn gevallen. In de taal van Paulus klinkt dat zo: ‘De God van de vrede, Hij moge u heiligen, geheel en al.’ Heiliging is immers niets anders dan de handeling waarin God zichzelf schenkt aan de mens. Zo wordt de Kerkgemeenschap de ruimte waarin God een menselijk gelaat krijgt in het heden. Dat is een proces dat nog volop aan de gang is. We zijn er nog niet. In onze harten zijn er immers nog strevingen die een tegengestelde kracht vormen. Vandaar dat Paulus ons oproept om ons daartegen te verzetten. ‘Houdt u verre van alle soorten kwaad.’ En toch is Hij er al. Met vreugde kunnen we daarom zingen: ‘Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen. Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen. Overal nabij is Hij mens’lijk allerwegen. Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen. God van God en licht van licht, aller dingen hoeder, heeft een menselijk gezicht, aller mensen broeder.’ 

Dit is groots. Wees blij. 

En het evangelievers dan? ‘De Geest des Heren is over mij gekomen, Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen.’ Wie de Bijbel kent, hoort hier Jezus aan het woord. Lucas vertelt dat Jezus in de synagoge deze tekst van Jesaja voorleest. Zijn enige commentaar is dat deze profetie thans in vervulling is gegaan. Dus de verleiding is groot om in dit evangelievers Jezus al te herkennen. Maar dat is nog te vroeg. Het vers stelt in het licht hoe God zelf in mensen aan het werk kan zijn. Dit zijn woorden die de profeet uitspreekt maar die ook uit de mond kunnen komen van Maria en van elke gedoopte. We kijken uit naar de komst van de Heer. Maar vergis je niet: Hij is altijd al bij ons geweest.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be