De Schatkamer

derde zondag van de Advent

15 december 2019


Jesaja 35, 1-6a, 10

Psalm 146, 7, 8-9a, 9bc-10

Jacobus 5, 7-10

Jesaja 61, 1

Matteüs 11, 2-11

‘De Geest des Heren is over mij gekomen, Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen’.  De eerste adventszondag zette de beweging van God naar de mens in het licht. De tweede het handelen van de mens om Gods komst mogelijk te maken. Vandaag zien we een combinatie van de twee. Gods barmhartigheid en heil openbaart zich in de Geest van de Heer. Als iemand die Geest ontvangt, wordt hij gezonden om de Blijde Boodschap bij de mensen te brengen.

Zo iemand die in Gods Geest Blijde Boodschap verkondigt, is Jesaja. In de eerste lezing overspoelt hij ons met een waterval van stralende woorden: verheugen, jubelen, bloeien, pronken, jubelen en juichen, glorie en luister. En voor wie het de eerste keer gemist heeft: nog eens glorie en luister! Jesaja richt zich met dit goede nieuws tot mensen die zich kwetsbaar voelen. Tot wie slappen handen heeft of knikkende knieën, tot allen die de moed verloren hebben. Overigens gebruikt de Griekse vertaling van deze tekst hier het werkwoord ‘parakalésate’. Vorige week sprak Paulus met dit werkwoord over de vertroosting die God ons schenkt. Dit Godsgeschenk wordt hier een opdracht. De profeet vertolkt de roeping om parakleet te worden voor wie dreigt ten onder te gaan aan de zwaarte van het leven. Het resultaat zal wonderlijk en vreugdevol zijn, tenminste voor de blinden, de doven, de lammen en de stommen. En de anderen? Uiteindelijk blijkt het goede nieuws gericht tot het volk van God dat uit de ballingschap verlost wordt. ‘Die door de Heer verlost zijn, zullen weer terugkeren.’ De fysieke handicaps waarover de tekst spreekt, functioneren als beeld voor de universele bevrijding. Als je merkt dat de blinden zien en de doven horen, dan weet je: de verlossing is nabij!

In het evangelie neemt Jezus dit beeld op als Johannes de Doper naar zijn identiteit vraagt. Jezus doet geen leerstellige uitspraken over zichzelf. Hij gebruikt geen messiaanse titels, geen theologische spitstechnologie. Hij nodigt enkel uit om te capteren wat er gebeurt en om te verstaan wat deze evenementen betekenen. Hij gaat ervan uit dat het volstaat vast te stellen wat er gebeurt met blinden, lammen en melaatsen. Ongetwijfeld kende Johannes immers de profetie van Jesaja. Wie weet kon hij de tekst zelfs citeren: ‘Zij zullen de glorie van de Heer aanschouwen, de luister van onze God.’ Dan moet hij verstaan hebben dat Jezus’ handelen een Godsopenbaring betekende. Waar Jezus komt, is God zelf aan het werk. Met dat inzicht wordt Johannes pas echt een profeet, een nieuwe Jesaja. Wat in Jesaja’s profetie van eeuwen tevoren beloofd wordt, dat herkent Johannes in Jezus. Zo wordt hij de bode die de komst van God zelf zal bereiden. Hij mag aan armen de Blijde Boodschap verkondigen over Gods nabijheid.

Jesaja en Johannes richten zich vandaag tot ons. Ook wij verlangen de verlossing waarover hier sprake is. Dus zingen wij met psalm 146: ‘Kom, Heer, om ons te redden.’ Ook onze tijd is immers gekenmerkt door verdrukking, honger, gebrokenheid, ontheemding en zonde. Het diepe verlangen naar vrijheid en rechtvaardigheid leeft in elk mensenhart dat zich openstelt voor wat goed, mooi en waar is. Wij zijn de armen die hopen een profeet te ontmoeten die, aangevuurd door de Geest van de Heer, ons vult met Gods Blijde Boodschap.

‘Hebt geduld’, vraagt Jakobus. Zijn komst is nabij maar je hebt geduld en moed nodig om de tussentijd uit te houden. Jakobus doet geen beroep op het vermogen om te kunnen wachten als hij oproept tot geduld. Het gaat hier niet over het geduld waartoe een ouder zijn kind aanmaant als de versgebakken koekjes nog te heet zijn. Aan de orde is het uithoudingsvermogen in barre omstandigheden. Kijk naar de profeten, zegt de Jakobusbrief, en neem een voorbeeld aan hun lijdzaamheid en geduld. Lijdzaamheid is een vertaling van ‘kakopathias’: het kwade ondergaan. Het Griekse woord voor geduld is ‘makrothumias’: letterlijk ‘lange passie’ waarmee bedoeld wordt dat het lang duurt voor je kwaad wordt. Wie afziet, loopt het gevaar zichzelf te verliezen in woede, frustratie, jaloezie, cynisme en andere destructieve emoties. Jakobus drukt de christenen op het hart zich hierdoor niet te laten meeslepen. Geduld is het vermogen om deze negativiteit uit te stellen. Daarvoor heb je moed nodig, zegt de brief. Ook voor deze term is het zinvol de Griekse uitdrukking voor ogen te houden. ‘Verstevig je hart’, staat er letterlijk. In deze context mag je het hart zien als het centrum waar alle persoonlijke strevingen samenkomen en waar de mens beslist wat hij doet en wie hij wil zijn. Christen ben je als je te midden van lijden en onzekerheid standvastig gericht blijft op de komst van de Heer. Als je vasthoudt aan het vertrouwen dat Hij nabij is. Als je ondertussen, zoals de profeten, spreekt in de naam van de Heer. Uiteindelijk ligt daar onze missie: de Geest van de Heer ontvangen om op onze beurt aan armen de Blijde Boodschap te verkondigen.

Maar laten we eerst erkennen dat we zelf arm zijn. Dat we bevrijding nodig hebben. En laten we met vreugde de profeten ontvangen die ons wijzen op het wonder van Gods nabijheid in Christus.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be