De Schatkamer

4e zondag in de Paastijd

25 april 2021


Handelingen 4, 8-12

Psalm 118, 1, 8, 9, 21-23, 26 en 28-29

1 Johannes 3, 1-2

Johannes 10,14

Johannes 10, 11-18



Handelingen

Zoals vorige week horen wij Petrus aan het woord. De context is echter helemaal anders. Terwijl hij in het vorige hoofdstuk van Handelingen spreekt tot de mensen die getroffen waren door de genezing van de lamme, staat hij nu voor de overheden. Even vroeger in het hoofdstuk lezen we dat zij verontwaardigd waren over het feit dat de apostelen onderricht gaven in de tempel. Dat was een voorrecht van de meest respectabele rabbi’s. Daarnaast zijn de overheden kwaad om de inhoud van hun woorden: dat ze de opstanding van de doden verkondigen in Jezus. Petrus is echter niet onder indruk. Ten eerste gaat hij gewoon door met onderricht, nu aan de overheden. Ten tweede verkondigt hij opnieuw de opstanding van Christus. Opnieuw verbloemt hij de waarheid niet: ‘de Nazoreeër die gij gekruisigd hebt’. Opnieuw opent hij perspectief: redding. 

Petrus gaat ervan uit dat zijn toehoorders weten wat hij bedoelt met dit concept ‘redding’. Meer nog, hij weet dat het centraal staat in het leven van elke jood. Het heeft namelijk alles te maken met de messiaanse verwachting binnen het jodendom: namens God zal een gezalfde het Rijk Gods komen installeren. Vrede zal heersen en harmonie. Deze belofte staat diep ingeschreven in het DNA van het joodse geloof. Welnu, zegt Petrus, dit zal door niemand anders gerealiseerd worden dan door Jezus Christus. 

De vraag is of het concept ‘redding’ ook voor ons hetzelfde gewicht heeft. 


1 Johannes

We leven in een wereld waarin het verlangen naar redding niet doorweegt. Daarin schuilt een belangrijk deel van de moeilijkheid om de blijde boodschap te verkondigen in deze dagen. 

Blijkbaar is onze ervaring op dat vlak niet uniek. ‘De wereld begrijpt ons niet’, schrijft Johannes. Twee weken geleden noemde Johannes de wereld iets dat overwonnen moet worden. We wezen er toen op dat het gaat om de verlangens en strevingen die ons leven richting geven. De ervaring van het jonge christendom is dat de context van het Romeinse Rijk de verkondiging niet gemakkelijk maakt. Kinderen groeien er op met totaal andere richtpunten en idealen. Niet het Rijk Gods maar het rijk van de keizer eist alle aandacht op. Een van de meest vooraanstaande titels die de Romeinse senaat kon verlenen was: Pater patriae - Vader van het vaderland. Bijvoorbeeld keizer Augustus droeg deze titel. Romeinse burgers kan je dus zien als lid van een familie met een duidelijke pater familias, die de opdracht heeft zijn zonen en dochters op te voeden in een bepaald patroon. 

Johannes gebruikt hetzelfde beeld voor de Kerk. Wij zijn kinderen van God en moeten opgevoed worden in zijn liefde. Waar dat ons uiteindelijk brengt, weten we niet maar we vertrouwen ons toe aan onze Pater familias. De tekst verwijst daarvoor uitdrukkelijk naar God de Vader. Toch schuilt er ook een dubbelzinnigheid in de verwoording van Johannes. Hij’ of ‘Hem’ kan zowel naar de Vader als naar de Zoon verwijzen. Het is de afwijzing van de Zoon die de relatie met de Vader bemoeilijkt. Het is het zien van de Zoon dat ons helemaal zal doen opgaan in de Vader. 


Evangelie

In deze Paastijd willen we de Zoon nog intenser leren kennen. Op de vierde Paaszondag is dat traditioneel via het beeld van de goede Herder. Jezus maakt zelf duidelijk wat Hij met dit beeld bedoelt: ‘De goede Herder geeft zijn leven voor zijn schapen.’ Drie elementen van deze zin worden vervolgens uitgewerkt in de evangelielezing. 

Ten eerste is het adjectief ‘goede’ belangrijk. Er zijn namelijk ook andere herders op de markt. De huurling die geen hart voor de schapen heeft, herken je aan zijn reactie op gevaar. Hij vlucht weg. Zijn doel situeert zich immers niet in de kudde maar in het geld dat hij verdient dank zij de kudde. Een goede herder zoekt niet zijn eigen welzijn maar dat van zijn schapen, zelfs als dat ten koste gaat van zichzelf. Mag je hier een contrast zien tussen de wereld van de keizer en de wereld van God? Aan welk soort herder vertrouw jij je toe als je keuzes maakt in je leven? 

Ten tweede verduidelijkt Jezus wie Hij bedoelt met de schapen. Voor zijn toehoorders in de eerste helft van de eerste eeuw lag het voor de hand dat Hij zich enkel richtte tot het volk Israël. Maar zo ziet Jezus het zelf niet: ‘Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn’. Je moet vooraf niet voldoen aan voorwaarden om met deze herder op weg te gaan. Dat klinkt mooi als je zelf het gevoel krijgt: ik mag er ook bij. Het kan anderzijds confronterend worden als je ontdekt dat ook degene die volgens jou niet gekwalificeerd is, deel uitmaakt van Jezus’ kudde. Met wie vind je het moeilijk om een familie te vormen? En mag Jezus die obstakels in jouw hart wegnemen?

Ten slotte gaat Jezus in op het ‘geven van leven’. Hij benadrukt dat dit een positieve keuze is. Zijn lijden is geen tragische gang van zaken maar maakt deel uit van een Goddelijk plan. Gods menswording is erop gericht: ‘Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.’ Bewust beslist de Zoon om hierin mee te gaan: ‘Ik geef het uit Mijzelf.’ Dit alles leidt echter niet tot de  hopeloze leegte van de dood. Het gegeven leven heeft nieuwe toekomst: ‘Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen.’ 

Op deze roepingenzondag mogen wij ons allen geroepen weten om ons leven met groot vertrouwen in zijn handen te leggen. 

 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be