De Schatkamer

vierde zondag van de Advent

22 december 2019


Jesaja 7, 1-17

Psalm 24,1-2, 3-4ab, 5-6

Romeinen 1, 1-7

Matteüs 1, 23

Matteüs 1, 18-24

‘Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. En men zal Hem de naam Immanuël geven: God met ons’. Langzaamaan wordt de Blijde Boodschap concreet. Ze krijgt vlees en bloed in de geboorte van een kind met de naam Jezus. In de opbouw naar Kerstmis kan de start van de evangelietekst van deze vierde adventszondag wat voorbarig klinken: ‘De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze’. Is dit niet te vroeg? Moeten we niet wachten tot 24 december om Jezus’ geboorte te vertellen?

De laatste zondag voor Kerstmis zorgt voor de link tussen ons verlangen om bevrijding en het kwetsbare kind dat we in de kribbe zullen aantreffen. Tot driemaal toe horen we de woorden van Jesaja over de jonge vrouw en haar kind: in de eerste lezing, als vers voor het evangelie en in de tekst van Matteüs. Stekeblind moet je zijn om niet te zien dat we hier een belangrijke sleutel aangereikt krijgen om tot de kern van het kerstfeest door te dringen.

We beginnen bij de oorspronkelijke tekst. De jonge vrouw en haar zoon worden door de profeet als een teken gepresenteerd. Deze profetie vindt plaats terwijl Juda belegerd wordt door twee vijandelijke troepen. De angst bekruipt alle inwoners van Juda: ‘Toen beefden het hart van de koning en het hart van het volk, zoals de bomen in het woud beven onder de wind’. God stuurt Jesaja naar de koning om hem te kalmeren. ‘Zeg hem: Bedwing u! Blijf rustig, vreest niet, laat u niet van streek brengen’. Door de profeet kondigt God aan dat de belegeraars, hoe machtig ze nu ook zijn, uiteindelijk ten onder zullen gaan. Teken daarvan is het kind dat de naam Immanuël draagt. Niet dat het kind in dit visioen grootse daden zal verrichten. Hij dient eerder om een tijdsperspectief te introduceren: ‘Voordat de knaap het kwade weet te verwerpen en het goede te kiezen, is het land van de beide koningen, die u zulk een angst aanjagen, ontvolkt.’

Matteüs verbindt de profetie over het kind met het maagdelijke moederschap van Maria. In de tekst van Jesaja komt de moeder van Immanuël niet in beeld. We horen alleen over een jonge vrouw. Als Jozef worstelt met de – in zijn ogen – voor Maria schandelijke zwangerschap, legt de engel hem in een droom uit dat het maagdelijke moederschap van zijn verloofde juist toont hoezeer de geboorte van Jezus mag verstaan worden als teken van Gods reddende handelen zoals Jesaja het al had aangekondigd. Het resultaat is dat Jozef zijn huis en zijn leven zal delen met Maria en de vaderrol zal opnemen voor Immanuël.  

Dat de aankondiging van de Immanuël op deze zondag ook nog eens klinkt in het vers voor het evangelie, dwingt ons ertoe de profetie te vertalen in ons eigen leven. Leven we ons daarom eerst in de situatie van de inwoners van Juda in ten tijde van Jesaja. Vervolgens gaan we op zoek naar de Jozef in ons.

Angst om overmand te worden door machten die ons ten gronde willen richten. Het gevoel niet op te kunnen tegen krachten die ons dreigen te verpletteren. Klinkt het bekend in de oren? Dan volgt snel de vraag: Zou God geen redding brengen? In eerste instantie lijkt zelfs God onmachtig. De profetie van Jesaja biedt geen instant-oplossingen. Toch klinkt ook voor ons de dringende opdracht: ‘Blijf rustig, vrees niet, laat u niet van streek brengen!’ God laat je niet in de steek, Hij is namelijk met ons. De inwoners van Juda, dat zijn wij.

Kunnen we ons ook vereenzelvigen met Jozef? Uit rechtschapenheid denkt hij erover uit het verhaal te stappen. Hij begrijpt immers niet wat er aan de hand is en wil ‘Maria niet in opspraak brengen’. Het kan ook ons overkomen dat we Gods intenties en werkwijzen niet kunnen vatten. Dat we niet willen choqueren en controverse willen vermijden. De valkuil is dat we afstand nemen van de heilsgeschiedenis. Dan wordt de Blijde Boodschap iets buiten ons. In tijden waarin religie op verschillende vlakken een slechte naam heeft, in tijden waarin de Kerk te lijden heeft onder schandalen, in tijden waarin mensen gerust gelaten willen worden en verlangen naar absolute vrijheid om hun leven uit te bouwen zoals zij het willen, in zulke tijden kan de bekoring groeien om een hoogste gemene deler te vinden en voor de rest op de vlakte te blijven. Nochtans vraagt God ook van ons meer. Ware rechtschapenheid betekent: jezelf inschrijven in Gods geschiedenis met zijn volk. De nabijheid van God ervaren als een roeping. Sterker nog: als een bevel. Aan het eind van het evangelie van deze zondag doet Jozef ‘zoals de engel van de Heer hem bevolen had’.

Zo ziet Paulus zichzelf en zijn apostolaat. De eerste verzen van zijn brief aan de Romeinen vatten de zending van elke christen op een intense manier samen. Wie door Gods roeping apostel wordt, is bestemd voor de dienst van het evangelie. Dit vertaalt zich voor Paulus als volgt: de roeping om ‘onder alle volken mensen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof’. Dienst en gehoorzaamheid. Aan wie? Aan degene die in menselijk perspectief een nakomeling is van David en vanuit Gods oogpunt Zoon van God. In Hem wordt het onmogelijke waar: de opstanding uit de doden. Door Hem ontvangt elke mens het grootste geschenk in het universum: Gods liefde. Omwille van Hem is ons leven gericht op slechts een doel: zijn heilige gemeente te worden. Hier is genade en vrede. Hier is God met ons!

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be