De Schatkamer

5e zondag door het jaar

9 februari 2020


Jesaja 58, 7-10

Psalm 112, 4-5, 6-7, 8a en 9

1 Korintiërs 2, 1-5

Johannes 8, 12

Matteüs 5, 13-16

Omdat de vierde zondag door het jaar toevallig op de tweede februari viel en we vorige week dus de lezingen van de Opdracht van de Heer hebben gelezen, hebben we het begin van de Bergrede gemist. De zogenaamde zaligsprekingen zijn aan ons voorbij gegaan. Maar niet getreurd, ze komen alsnog langs op het feest van Allerheiligen, op 1 november.

Het eerste vers van hoofdstuk 5 geeft aan in welke context Jezus de Bergrede uitspreekt. Hij richt zich tot zijn leerlingen terwijl een grote menigte mensen die bij Hem willen aansluiten, zich op de vlakte beneden bevindt. Het staat niet in de tekst maar ik stel me graag voor dat Jezus en zijn leerlingen niet elkaar aankijken tijdens deze redevoering maar dat ze allen in dezelfde richting kijken, hun blik gericht op de mensenmassa beneden. Met het oog op de volksmenigte onderricht Jezus zijn leerlingen.

Start- en eindpunt van de lezingen van deze zondag is Jezus zelf. ‘Ik ben het licht van de wereld’, citeert het evangelievers uit Johannes. Zowel vorige week als de week voordien hebben we die boodschap meegekregen. Matteüs ziet in Jezus de vervulling van Jesaja’s profetie over het licht in het duister. Simeon herkent in Jezus het licht voor de volkeren. Vandaag verspreidt dit licht zich: ‘Wie mij volgt zal het levenslicht bezitten’, vervolgt het vers voor het evangelie. De evangelielezing verwoordt het nog scherper: ‘Gij zijt het licht van de wereld.’ Al van bij de start krijgen de leerlingen de verregaande roeping om zelf het licht dat Christus is tot bij de mensen te brengen. ‘Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen’, kan in het Nederlands verkeerd verstaan worden. Alsof het zou gaan over goed doen om indruk te maken op anderen. Dat is uiteraard niet de oorspronkelijke betekenis. Jezus insisteert op het feit dat het statuut van de leerlingen een opdracht inhoudt: goede werken te doen. Welke? Luister naar Jesaja. De hongerigen voeden, de daklozen onderdak verlenen, de naakten kleden. Herken je ze, de werken van barmhartigheid? Onderdrukking, bedreiging en kwaadsprekerij tegengaan. Wie neerslachtig is, vullen met tevredenheid. ‘Dan straalt uw licht in de duisternis’.

De antwoordpsalm benadrukt een ander idee van de eerste lezing. Wie rechtvaardig en barmhartig handelt, zal geluk vinden. Wie recht doet aan de arme ontvangt zelf het licht dat de nacht verdrijft. Als leerlingen van Jezus komen we op zondag samen in Gods huis. Met de woorden van psalm 112 bezingen we onszelf in de mate we het licht van Christus waarlijk laten schijnen. Voor ons gaat het licht op in de nacht. Goed gaat het met ons die weggeven en lenen, die eerlijk onze zaken behartigen. In eeuwigheid staan wij sterk. Voor slecht nieuws zijn wij niet bang. Standvastig en zonder vrees zetten wij door, met mildheid delen wij aan armen uit.

Paulus herinnert er ons aan dat dit echter nooit een menselijke prestatie is. Er komt geen geleerdheid of welsprekendheid aan te pas. Je moet met andere woorden geen specifieke intellectuele capaciteiten hebben of opvallende talenten. We moeten niet op zoek naar het licht in onszelf. De leerlingen zijn het licht van de wereld als ze het licht van Christus ontvangen en doorgeven. Paulus noemt dit de kracht van de Geest. Hij brengt de kracht van God.

Start- en eindpunt van deze zondag zijn Jezus zelf, zeiden we aan het begin. Hij is het licht. Dat licht ontvangen we en geven we door als we concrete daden van barmhartigheid stellen. Op die manier leven we zelf in het licht. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat we hiervoor niet op onszelf mogen terugvallen. Onze enige bron is het Licht zelf. Ik wil jullie niets bijbrengen, zegt Paulus, dan Jezus Christus en zijn kruis.  

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be