De Schatkamer

7e zondag van Pasen

24 mei 2020


Handelingen 1, 12-24

Psalm 27, 1,4, 7-8

1 Petrus 4, 13-16

Johannes 14, 18

Johannes 17, 1-11a


Voor je het evangelie van deze zondag beluistert, lijkt het mij zinvol om even terug te lezen wat we hebben gezegd bij de lezingen van Hemelvaart. Zie je ze daar staan, de apostelen, aan het begin van hun zending in Galilea? Ze hebben al zoveel meegemaakt en toch moet het allemaal nog beginnen voor hen. In dat perspectief verstaan we het gebed dat Jezus uitspreekt in het evangelie van de zevende Paaszondag: ‘Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. (…) Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat ze U toebehoren. Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom.’ Wat Matteüs en Paulus vorige donderdag omschreven als Christus’ macht, dat noemt Johannes de verheerlijking. Jezus heeft zijn taak in de wereld volbracht. Door zijn werk is Gods Naam aanwezig in de wereld. Terwijl Hij nu terugkeert in de heerlijke schoot van de Vader, rest er een groot en belangrijk werk voor zijn leerlingen aan wie Hij Gods naam heeft geopenbaard. Matteüs noemde dat werk: ‘Maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’ In het dagelijkse leven van Galilea moesten zij het Rijk Gods gaan verkondigen. Nochtans zien we hen daar niet mee bezig op deze laatste zondag voor Pinksteren. Integendeel, de eerste lezing plaatst hen terug in Jeruzalem, tegemoetkomend aan Jezus’ opdracht om de tempelstad niet te verlaten maar de belofte van de Vader af te wachten: ‘Gij zult kracht ontvangen van de Heilige Geest.’ Voordat de apostelen de wereld intrekken om te getuigen, blijven ze samen om te bidden. Te volharden in gebed staat er. In het geding staat de fundamentele richting die ze gekozen hebben. Wie zich verbindt met Jezus kiest ervoor in alles op zijn Rijk gericht te zijn. Het volhardende gebed geeft daaraan gestalte. In die zin staat het samenzijn in Jeruzalem niet in tegenstelling met de naar buiten gerichte zending in Galilea en tot het einde der aarde. Waar de leerlingen later ook heen zullen gaan, het gezamenlijke, verbindende gebed horen ze altijd mee te nemen. Ook als de tijd van wachten op de Geest voorbij is, maakt het volhardende gebed deel uit van het christelijke leven. Zeker als je weet dat het apostolaat geen lachertje wordt. De eerste Petrusbrief richt zich tot de jonge christelijke gemeentes die met moeite staande blijven. Er bestaat blijkbaar zoiets als ‘lijden als christen’. Dit is niet het lijden dat elke mens kan overkomen in ziekte, verdriet of pijn. Het gaat over een lijden dat je moet ondergaan omdat je christen bent. Concreet spreekt de Petrusbrief over de honende reactie van mensen op de naam van Christus. Ook in Bijbelse tijden is het niet vanzelfsprekend om de Blijde Boodschap door te geven. Ook toen al leek het mensen onnozel en dom om je leven af te stemmen op een gekruisigde. De tweede lezing stimuleert ons om deze obstakels te zien als deelname in het lijden van Christus zelf. Op die manier wordt het vervolgens een weg naar de verheerlijking die Jezus ten deel is gevallen. Het is een manier om eer te brengen aan God. Zo komen we terug bij de volharding in het gebed die een bestendig verlangen is naar thuiskomen bij God. Vanuit deze volharding kunnen ook wij het keervers van psalm 27 in de mond nemen: ‘Ik reken erop nog tijdens mijn leven de weldaden van de Heer te ervaren’. Geen angst kan ons het verlangen wegnemen in Gods huis te wonen zolang we leven. Hier treedt de tempel terug naar voren: ‘Dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren, zijn tempel weer met eigen ogen mag zien.’ Ondertussen is het al wel duidelijk dat met de tempel geen gebouw of locatie wordt bedoeld. Ons tempelbegrip is spiritueel. Het is de plaats van Godsontmoeting. In de periode na de Hemelvaart gebeurt deze ontmoeting in de Heilige Geest. ‘De Geest van God die op u rust,’ zegt de tweede lezing van deze zondag. Het vers voor het evangelie bevestigt de blijvende nabijheid van Christus die op Hemelvaartsdag ook al verkondigd was door het Matteüsevangelie. ‘Ik zal u niet verweesd achterlaten, zegt de Heer, Ik ga, en Ik keer tot u terug, en uw hart zal zich verblijden.’ Vanuit dit geloof komen wij deze zondag samen. We hebben weet van het hoongelach van een samenleving die zoals de Romeinse afkerig staat tegenover de Blijde Boodschap. We durven erop vertrouwen dat ons lijden niet een eindpunt is maar een etappe op onze reis als apostelen. Volhardend in gebed verzamelen we in onze tempels in het vertrouwen dat Gods Geest op ons rust en ons zal aanvuren om onze zending waar te maken. En bovenal onthouden dat we Jezus zelf in gebed met ons verbonden is. ‘Ik bid voor hen’, zegt Jezus over ons tot de Vader. Als Hij voor ons is, wie zal ons dan tegenhouden?

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be