De Schatkamer

7e zondag door het jaar

23 februari 2020


Leviticus 19, 1-2, 17-18

Psalm 103, 1-2, 3-4, 8 en 10, 12-13

1 Korintiërs 3, 16-23

1 Johannes 2, 5

Matteüs 5, 38-48

De evangelietekst herneemt het stramien dat we vorige zondag ook al hoorden: ‘Gij hebt gehoord dat…’, ‘Maar Ik zeg u…’. Toch heeft de woorddienst van deze zondag een heel ander karakter. Vorige week benadrukte de lezing uit Sirach de haalbaarheid van de opdracht om te leven naar de aanwijzingen van God. Vandaag lijkt precies die haalbaarheid erg ver: ‘Weest volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is’. Iedereen weet toch dat volmaaktheid niet van deze wereld is? Wie kan voldoen aan deze opdracht?

Het is zinvol om de Griekse term achter het woord ‘volmaaktheid’ te leren kennen. ‘Téleioi’ staat er. Het is een adjectief afgeleid van een zelfstandig naamwoord dat ‘bereikt einddoel’ betekent. Het suggereert dat je de noodzakelijke fases hebt doorlopen en nu de voltooiing hebt bereikt. Veel meer dan het Nederlandse woord ‘volmaakt’ roept ‘teleioi’ een proces op. De opdracht tot volmaaktheid houdt de roeping in om een spirituele weg af te leggen. De weg van de mens tot bij God. De weg naar de heiligheid.

‘Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig’, lezen we in het boek Leviticus. Vanaf het eerste scheppingsverhaal maakt onze Heilige Schrift duidelijk dat niets in onze schepping heilig is. Er is slechts één heilig en dat is God zelf, de Schepper van hemel en aarde. De roeping van de mens is thuis te komen in de heiligheid van God. Dat is de zin van het verbond dat God sluit met Abraham en zijn nageslacht. De naleving van dit verbond is een spirituele weg voor het volk. De tocht door de woestijn vormt hiervoor het ijkpunt. Tijdens deze tocht krijgt Mozes de Goddelijke opdracht het volk tot heiligheid te roepen en dit te verbinden aan concrete geboden. Uit de reeks geboden die Mozes opsomt en die onder andere handelen over de oogst, de rechtspraak, de sociale omgang met verschillende bevolkingsgroepen, kiest de lezing van deze zondag het gebod over de omgang met een volksgenoot die kwaad heeft berokkend.

Hoe wij omgaan met een broeder of zuster die ons gekwetst heeft, is een belangrijk element in onze groei in heiligheid. Leviticus bespreekt verschillende etappes. Als iemand je pijn doet, mag je niet vervallen in de haat die de relatie verbreekt. Meer nog, je krijgt de opdracht om in gesprek te gaan met de dader. Niet om je gal te spuwen maar om de ander de kans te geven zich te verbeteren. Als de persoon in kwestie zijn schuld echter niet erkent, is er een dubbele valkuil: wraak en wrok. Bij het eerste berokken je iemand dezelfde pijn die jij hebt moeten ondergaan. Bij het tweede cultiveer je de frustratie dat je geen wraak hebt genomen. Dit gebod heeft als kern de verbinding. Ondanks de kwetsuren verbreek je de relatie niet. Dat is het hart van de Bijbelse liefde: de beslissing om iemand nooit te laten vallen, wat er ook gebeurt. Zoals je je niet kan losscheuren van jezelf, zo scheur je je niet los van je naaste.

Dat is wat God doet met ons. Hij scheurt zich niet af van de zondaar. Hij is immers ‘barmhartig en welgezind’, zingen we met psalm 103, ‘lankmoedig en goedertieren. Hij handelt niet met ons zoals wij verdienen, vergeldt ons niet onze schuld.’ Ook de psalm verbindt deze houding met de liefde: ‘Zozeer als een vader zijn kinderen liefheeft, zozeer heeft de Heer zijn dienaren lief.’

Hoe verregaand dit gebod sowieso ook moge zijn, Jezus maakt de ‘Wijzing’ nog scherper. Je hebt gehoord dat je zo moet omgaan met je volksgenoten. Maar Ik zeg je dat je zelfs met je vijanden zo moet omgaan. Zo word je kinderen van je Vader in de hemel.

Paulus zegt hetzelfde met een ander beeld. ‘Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt?’ ‘De tempel van God is heilig, en die tempel zijt gij’. De tempel is het beeld van Gods nabije aanwezigheid in de mensenwereld. De ark van het verbond staat in het hart van de tempel als een permanente getuige van het liefdesverbond dat de identiteit van het Godsvolk bepaalt. Voor Paulus gaat het niet om een gebouw maar om een gemeenschap van mensen. Het is voor hem niet belangrijk wie van deze groep deel uitmaakt. Slechts een element moeten ze gemeen hebben met elkaar: ‘Gij zijt van Christus’. De heiligheid van God huist in de mensen die leerling zijn van Jezus. Zij luisteren naar zijn ‘Wijzing’. Zij horen de roep om het gebod tot naastenliefde ook toe te passen op hun vijanden. Zij erkennen in deze roeping hun einddoel: dat is de weg die ze hebben af te leggen. In die zin vindt Gods liefde in hen zijn voltooiing: ‘Wie het woord van Christus bewaart, in hem is waarlijk Gods liefde volkomen’, zegt het vers voor het evangelie met een citaat uit de eerste brief van Johannes. Laten we daar alvast mee beginnen: het woord van Christus bewaren in ons hart.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be