De Schatkamer

3e zondag van de veertigdagentijd

15 maart 2020


Exodus 17, 3-7

Psalm 95, 1-2, 6-7, 8-9

Romeinen 5, 1-2, 5-8

Johannes 4, 42 en 15

Johannes 4, 5-42

Zondagen drie, vier en vijf van de veertigdagentijd stellen in elk van de drie liturgische jaren een eigen thematiek voor. Het A-jaar, waarin we ons nu bevinden, is op de doop gefocust. De veertigdagentijd is immers een cruciale fase in de voorbereiding op het doopsel van een volwassene. Door de eeuwenoude praktijk van de kinderdoop zijn we wat uit het oog verloren dat het sacrament van het doopsel om een volwassen geloofsact van de dopeling vraagt. Bij een kinderdoop stellen de ouders deze act voor hun kind. Wie zich echter klaarmaakt om in de Paasnacht als volwassene het doopsel te ontvangen, moet de veertigdagentijd gebruiken als ultieme voorbereiding op de plechtige geloofsbelijdenis tijdens het doopritueel. Samen met deze catechumenen willen wij, die het doopsel reeds hebben ontvangen, een gelijkaardige weg gaan. Tijdens de Paaswake hernieuwen wij immers allen onze doopbeloften en worden we opnieuw met doopwater besprenkeld. In de veertigdagentijd van het liturgische A-jaar dient zich voor de hele Kerkgemeenschap dus een fundamentele vraag aan: Als je het doopsel nog niet had ontvangen, zou je er dan nu voor kiezen? Waarom?

In drie stappen wil de liturgie van de veertigdagentijd ons helpen tot een antwoord te komen. Volgende zondag staat het licht centraal. Een week later de overwinning van het leven op de dood. Deze derde zondag van de veertigdagentijd brengt ons bij de bron van levengevend water.

Ondertussen loopt het Oudtestamentisch overzicht van de heilsgeschiedenis verder. Na de tuin van Eden en Abram, komt vandaag Mozes aan bod. Het volk is onder leiding van Mozes uit Egypte weggetrokken. De glansrijke doortocht door de Rode Zee en de verpletterende ondergang van farao en zijn leger zijn pas achter de rug. De euforie maakt echter al snel plaats voor twijfel en gemor. Hevige dorst in de woestijn is dan ook geen lachertje. Het is een kwestie van leven of dood. Vind je in de woestijn geen water, dan is het snel over en uit. Op lichamelijk niveau is het dus goed te verstaan dat het volk klaagt. Spiritueel slaan ze de bal echter duidelijk mis. De verwijten van de Israëlieten dagen God uit. Ze leggen de diepe vraag bloot: Is de Heer nu bij ons of niet? Zijn identiteit wordt in twijfel getrokken. Hij heeft zich immers geopenbaard als de God die er is. Zo luidt zijn naam. In plaats van Gods naam komen twee nieuwe plaatsnamen: Massa en Meriba. Letterlijk betekenen ze: plaats van de uitdaging en plaats van de verwijten.

Denk niet te snel: deze houding is mij vreemd. Hier woedt een strijd die eigen is aan elk geloofsverhaal. Wie de weg van Abram gaat, passeert op een gegeven moment in Massa en Meriba. Psalm 95 is een roep om hieraan niet toe te geven. ‘Weest niet halsstarrig als eens in Meriba, zoals in Massa in de woestijn.’ Het alternatief is te luisteren naar Gods stem en in die stem de Rots te herkennen. Zich met andere woorden te herinneren dat God zelf de bron is waaruit het water stroomt waaraan mensen zich kunnen laven.

De Rots van ons heil, degene die redding brengt in de dodende woestijn, dat is Jezus, zegt het vers voor het evangelie. Tot Hem keren we ons om het levend water te ontvangen. ‘Heer, Gij zijt werkelijk de Redder van de wereld. Geef mij van het levend water, zodat ik geen dorst meer krijg.’ Het zijn de woorden van de Samaritaanse die ons op deze weg zetten. Deze acclamatie combineert twee verzen uit het evangelie. Het eerste deel komt uit vers 42, het laatste vers van de evangelielezing. Het tweede deel uit vers 15, nog bij het begin. Op dat moment is de Samaritaanse nog niet helemaal mee. Ze zegt immers: ‘Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten.’ Hieruit blijkt dat ze niet door heeft waarover Jezus met haar wil spreken en wat Hij te bieden heeft. Ze denkt dat het over H2O gaat. Terwijl Jezus haar levend water wil schenken, water van eeuwig leven.

In de doop ontmoeten ook wij Christus bij de bron. Ieder van ons brengt op dat moment zijn eigen verlangens mee. Van nature hopen we dat Christus onze concrete noden zal lenigen. Maar dan zijn we als de vrouw die denkt dat ze niet meer naar de put zal moeten terugkeren om het zware labeur te doen om te overleven. Jezus zoekt echter contact op een heel ander niveau. Hij wil niet het oppervlakkige leven opblinken maar ons een nieuwe dimensie van het bestaan aanreiken. ‘Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven’.

Wat wil Jezus in ons doen opborrelen? Paulus openbaart ons het antwoord in zijn brief aan de Romeinen: ‘Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.’ Dat wij drager zijn geworden van die Goddelijke liefdesbron is tevens de garant van vrede, genade en hoop, verkondigt Paulus. Zoals de Samaritaanse willen wij groeien in het geloof dat God ons hier een cadeau met eeuwigheidswaarde aanbiedt. In Jezus toont Hij zich als de Redder die er is in de woestijn van ons leven. Zoals de Samaritaanse gaan wij in op zijn aanbod opdat Hij in ons een waterbron zal doen opwellen. Naar levend water verlangen wij. Met alle Samaritanen van Sichar hopen wij zo dicht bij Jezus te komen dat wij over Hem tijdens de Paaswake met hart en ziel kunnen belijden: ‘Wij weten dat deze werkelijk de redder van de wereld is’.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be