De Schatkamer

1e zondag van de veertigdagentijd

1 maart 2020


Genesis 2, 7-9, 3, 1-7

Psalm 51, 3-4, 5-6a, 12-13, 14 en 17

Romeinen 5, 12-19 of 12, 17-19

Matteüs 4, 4b

Matteüs 4, 1-11

In de aanloop naar Pasen kiest de Kerk er traditioneel voor om veertig vastendagen te houden. Op de eerste zondag in deze periode herinnert het evangelie ons eraan dat we zo het voorbeeld van Jezus zelf volgen. De evangelietekst geeft ook het kader aan waarbinnen we dit vasten kunnen verstaan. Jezus’ veertigdagentijd vindt plaats op aansturen van de Heilige Geest. Het initiatief ligt bij God zelf. In de praktijk komt echter de tegenstander van God in actie: de duivel. Blijkbaar is het belangrijk voor de Godsmens dat hij weet heeft van de kracht die een mens probeert weg te krijgen van zijn verbondenheid met God. Dat is immers de letterlijke vertaling van het Griekse woord voor duivel – diabolos –: uit elkaar gooien. De achterliggende idee is dat je maar kan kiezen voor licht als je het duister hebt ervaren, dat je maar kan kiezen voor goed als je het kwaad kent. Pas wanneer je de duivel hebt leren kennen, kan je je in volle vrijheid verbinden met God. Hoe gaat de duivel te werk? Hij speelt in op een verlangen. De sterkste menselijke drijfveer is honger. Echte honger brengt de oerkracht van de primaat in ons naar boven. Veertig dagen en veertig nachten mag die honger zich in Jezus opbouwen als Hij vast. Overigens betekent dit niet perse dat Jezus die hele periode niets gegeten en gedronken heeft. Even goed mag je je voorstellen dat Hij leefde op een minimum aan water en brood. Het effect is hetzelfde: ‘Hij kreeg honger.’ Op dat moment treedt de verleider naar voren. Het doel van de hele oefening wordt vervat in een Grieks woord dat in onze evangelietekst op twee manieren is vertaald: ‘op de proef stellen’ en ‘verleiden’. Dit is niet de eerste keer dat de Bijbel spreekt over beproeving. De veertig jaren dat het volk in de woestijn ronddwaalt zijn een permanente beproeving van hun geloof. Elke dag oefenen ze zich in het zich toevertrouwen aan God. Zo moeten ze erop vertrouwen dat God elke ochtend het nodige brood zal voorzien. Ze mogen geen reserve aanleggen om toch maar zeker wat voedsel te hebben mocht God zich overslapen. Wie de geschiedenis van het volk kent, weet echter hoe moeilijk dit is. Het Oude Testament is een aaneenschakeling van mislukkingen: de mens laat zich voortdurend verleiden. Blijkbaar kan de mens met zijn geloof niet op tegen de oerkracht van de honger.

Hoe diep dit is ingeschreven in het menselijke DNA horen we al in het tweede hoofdstuk van het allereerste Bijbelboek. De rol van de verleider wordt hier gespeeld door de slang. Laten we duidelijk zijn: er is nooit een tijd geweest dat dieren konden spreken. Hier gaat het over een stem die we allemaal maar al te goed kennen. We hebben allen toch al meegemaakt dat we wisten wat goed was en wat slecht en dat we willens en wetens voor het kwade kozen. Waarom? Omdat we betoverd waren. Zoals Eva: ‘Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen.’ De oerkracht van de existentiële honger neemt het soms over. Onze Bijbelse traditie stelt dat dit een condition humaine is. We kunnen er niet aan ontkomen. Paulus zegt het zo: ‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood; en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben.’ Wie ja zegt aan de slang, zegt nee tegen God. Dat is de definitie van zonde. Die zonde maakt ons kapot, zegt Paulus, we gaan eraan dood.

Daarom stellen we ons aan het begin van de veertigdagentijd uitdrukkelijk in de positie van Adam en Eva. We erkennen dat we zondig zijn. Psalm 51 is bij uitstek het Bijbelse lied van de schuldbelijdenis. ‘Ik erken dat ik misdreven heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen. Jegens U alleen heb ik gezondigd, wat U tegenstaat heb ik gedaan.’ De situatie is ernstig maar niet hopeloos. De zondige mens strekt zich uit naar Gods barmhartigheid. ‘Was mijn schuld volkomen van mij af’. Diep in de mens blijft het goede verlangen bestaan om de juiste verhouding met God terug te vinden: zijn lof te kunnen zingen. Daarom bidden we om zijn ontferming.

Voortbouwend op de getuigenis van het Oude Testament zou het niet meer dan normaal zijn dat Jezus door eenzelfde geloofscrisis zou gaan. Dat Hij zich laat verleiden en vervolgens met psalm 51 om verzoening moet smeken. Het patroon wordt echter doorbroken. Jezus ervaart wel de honger maar laat zich niet vangen. Blijkbaar huist er in Hem een kracht die sterker is. ‘Niet van brood alleen leeft de mens’, wordt het motto van deze zondag. We zijn uitgenodigd om ons er bewust van te worden dat Jezus ons zal leren nee zeggen tegen de macht van de honger. Dat Hij ons zal meenemen naar een nieuw soort verbinding met God. We zullen gaan leven van ‘alles wat uit de mond van God voortkomt’. Paulus komt woorden tekort om de grootsheid hiervan te beschrijven: ‘Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave van de gerechtigheid ontvangen, leven en heersen dankzij de ene mens Jezus Christus.’

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be