De Schatkamer

Heilige Familie

27 december '20


Genesis 15,1-6; 21,1-3

Psaml 105, 1b-2, 3-4, 5-6,8-9

Hebreeën 11, 8, 11-12, 17-19

Hebreeën 1, 1-2

Lucas 2, 22-40




In de kersttijd houden wij de blik gericht op het mysterie van de incarnatie. God, Schepper van hemel en aarde, heeft de gedaante aangenomen van een mens van vlees en bloed. Over de periode tussen Jezus’ geboorte en zijn openbaar leven weten we zo goed als niets. Lucas is de enige die iets van het gezinsleven van Jezus oproept in het tafereel met de twaalfjarige Jezus. Aan het einde ervan gebruikt hij een formulering die we herkennen uit het oude testament: ‘Het kind groeide op en nam toe in krachten; het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem.’ Zo wordt Jezus in de traditie van het eerste verbond geplaatst: Hij is een afstammeling van Abraham. 

Het gebeurt niet zo vaak dat de eerste en tweede lezing zo dicht bij elkaar liggen als op deze feestdag. Beide zoomen in op het geloof van de eerste aartsvader. De eerste lezing vertelt een deel van het verhaal uit het boek Genesis, de tweede uit de Hebreeënbrief reflecteert over de betekenis van Abraham, Sara en Isaäk. De lezingen maken ons bewust van de rol die Abraham speelt in de heilsgeschiedenis. In hem start de speciale relatie die de Schepper wil aangaan met concrete mensen die Hij roept. Deze relatie overstijgt het leven van die ene persoon. Het doel ervan ligt in de toekomst: een nageslacht, talrijk als de sterren aan de hemel. Deze relatie noemen wij het verbond en daarin plaatsen we ons bewust als we het keervers van de antwoordpsalm zingen: ‘De Heer is onze God, voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht.’ Psalm 105 spreekt ons toe en noemt ons ‘kroost van Gods dienaar Abraham’. Dat mag voor ons een grote bron van vreugde zijn. 

Ook Jezus heeft psalm 105 gebeden. Opgroeiend in het gezin van Jozef en Maria heeft Hij zichzelf leren zien als een kind van Abraham, als deel van de heilsgeschiedenis. Het evangelie gaat echter veel verder. Jezus is niet slechts een van de velen. In Jezus wordt het doel van de heilsgeschiedenis zichtbaar. Simeon noemt Hem het ‘Heil’. Bovendien maakt de vrome ouderling duidelijk dat Maria’s zoon de toegangspoort zal blijken tot het uiteindelijke heil. Hij is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, zegt Simeon. Je relatie tot Jezus zal de relatie met God definiëren. Dat is ook de basisboodschap van het vers voor het evangelie: ‘Op velerlei wijzen heeft God tot onze vaderen gesproken door de profeten; op het einde der tijden heeft Hij tot ons gesproken in de Zoon.’ Enkele dagen nadat we gevierd hebben dat Jezus ons geschonken wordt, klinkt al de oproep om dit geschenk ook werkelijk te accepteren. Dat is de dankbaarheid die God van ons verwacht in deze kersttijd. 

De kerstliederen in onze Zingt Jubilate nodigen ons uit om niet te blijven staan bij het beeld van het kind in de stal. Ze willen ons positioneren in de grote heilsgeschiedenis waarvan Jezus, hoe klein en kwetsbaar ook, het middelpunt is. Lees in dat kader bijvoorbeeld de tekst van Huub Oosterhuis op een melodie die in de Geneefse reformatie een kerklied is geworden. ‘Komt ons in diepe nacht ter ore: de morgenster is opgegaan.’ De nachtelijke sfeer van het geboorteverhaal is nog aanwezig maar het beeld is onmiddellijk breder. Het licht komt binnen in ons duister. De redding is nabij. ‘Een mensenkind voor ons geboren, God zal ons redden, is zijn Naam.’ Hij is het geschenk, nu onze reactie nog. Zullen wij als Abraham zijn en gehoor geven aan de roeping van God? ‘Opent uw hart, gelooft uw ogen, vertrouwt u toe aan wat gij ziet.’ Niet toevallig brengt de tekst van Oosterhuis ons uiteindelijk bij onze relatie met God: ‘Zo leven wij zijn nieuw verbond.’ 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be