De Schatkamer

Pasen

4 april 2021


Handelingen 10, 34a, 37-43

Psalm 118, 1-2, 16ab-17, 22-23

Kolossenzen 3, 1-4

1 Korintiërs 5, 7b-8a

Johannes 20, 1-9



Elk jaar luisteren we op Paaszondag naar dezelfde Schriftteksten. De eigenheid van het B-jaar situeert zich in het evangelie van de Paaswake. Laten we even stilstaan bij de verschillen tussen het verhaal van het lege graf zoals we het vorig jaar hoorden uit Matteüs en datzelfde verhaal zoals we het dit jaar aantreffen in Marcus. 

Wat eerst opvalt is de soberheid. Matteüs heeft het over een aardbeving en over een engel die neerdaalt uit de hemel in een schitterend gewaad. Marcus focust op de vrouwen die naar het graf gaan om het lichaam te balsemen. We zijn getuige van hun onzekerheid: ‘Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?’ Terwijl Matteüs ons de hemelse grootsheid presenteert, klinkt hier een menselijke zorg. Het heeft iets innemends. De vrouwen zijn onderweg zonder te weten of ze wel in staat zullen zijn hun taak te volbrengen. Maar dan worden ze geconfronteerd met twee waarnemingen die ze niet kunnen plaatsen. Ten eerste is de steen weggerold. ‘En deze was zeer groot’, staat er. Je ziet de vrouwen nadenken. Hoe kan dit, vragen ze zich af. Wie heeft de kracht om zo’n grote steen te verplaatsen? De tweede verrassing heeft nog meer effect. Ze zien een jongeman in een wit gewaad. ‘Tot hun ontsteltenis’, staat er. Marcus is de enige auteur in het Nieuwe Testament die dit Griekse woord gebruikt. Het is goed om weten dat het in het Grieks over een passieve werkwoordsvorm gaat. Door de verbijstering ben je buiten jezelf gebracht. Het overkomt je. Iets of iemand heeft dit gedaan. Merk wel op dat Marcus spreekt over een jongeman. Hij vermijdt het woord ‘engel’ dat we bij Matteüs aantreffen. Je zou je kunnen afvragen wat de vrouwen zo uit hun evenwicht brengt. Tot nu toe is hen niets overkomen dat bovennatuurlijk is. Een groepje mensen kan de steen hebben weggerold. Aan de jongeman is op het eerste gezicht niets speciaals, behalve natuurlijk dat hij in een wit gewaad heeft plaatsgenomen in een graf. En toch zijn ze uit hun lood geslagen. Wij, die het verhaal al talloze malen gehoord hebben, zijn snel geneigd om hun verbijstering al in het licht te zien van de onvoorstelbare boodschap van Christus’ opstanding. Maar daarvan is tot op dit moment in het Paasevangelie van Marcus nog geen sprake. 

Wie zijn deze vrouwen? Wat weten we over hen? Maria Magdalena, Salome en Maria de moeder van Jakobus en Joses worden voor het eerst bij naam genoemd als Jezus reeds gestorven is. ‘Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef, gevolgd om voor Hem te zorgen.’ Deze vrouwen staan het dichtst bij Jezus op het moment van zijn kruisdood. Marcus vertelt dat alle leerlingen gevlucht zijn. Niemand staat bij het kruis. Jezus sterft moederziel alleen. Maar ‘op een afstand’ zijn er de vrouwen die voor Hem gezorgd hebben. Je moet voor ogen houden hoe kwetsbaar een vrouw is in die cultuur als ze niet met haar man is. Deze vrouwen hadden zich verbonden met Jezus. Bij Hem wisten ze zich veilig. Nu staan ze daar, alleen. Ze kunnen niet veel doen. Alleen vaststellen wat gebeurt. Zo vertelt Marcus dat twee van hen getuige zijn van Jezus’ graflegging. ‘Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses zagen toe, waar Hij werd neergelegd.’ Dat geeft hen de gelegenheid om nog een laatste keer voor hun Heer te zorgen. Ze kopen welriekende kruiden om het lichaam te balsemen zo gauw het mag, dat wil zeggen: als de sabbat voorbij is. We horen dat ze dat doen voor dag en dauw. Het liefst zonder opgemerkt te worden, mag je daar verstaan. Vandaar hun bezorgdheid over de steen. Ze hadden gerust iemand kunnen vragen om de grafsteen voor hen weg te rollen. Maar wie dan? Vandaar ook hun hevige reactie als ze ontdekken dat ze niet alleen zijn in het graf. Lopen ze hier gevaar? 

Dan spreekt de jongeman. Hij geeft min of meer dezelfde boodschap als de engel in de versie van Matteüs. ‘Wees niet bang’. ‘Hij is verrezen’. ‘Ga het vertellen aan de leerlingen’. Matteüs verhaalt vervolgens dat de vrouwen hun opdracht vervullen met vrees en grote vreugde. Ze ontmoeten zelfs de verrezene. De evangelielezing van het B-jaar daarentegen stopt bruusk. We krijgen niet te horen hoe de vrouwen reageren. Nochtans kan je dat in het Marcusevangelie wel lezen. Het is geen opbeurende boodschap: ‘De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf; want schrik en ontsteltenis hadden hen overweldigd. En uit vrees zeiden ze er niemand iets van.’ De ontsteltenis waarover we vroeger al hoorden, heeft hen in zijn greep. Letterlijk staat er dat de vrouwen bezit waren geworden van de vrees en de ontsteltenis. Hoewel in onze Bijbels hierna nog elf verzen volgen, zijn specialisten ervan overtuigd dat dit het oorspronkelijke einde is van het Marcusevangelie. Een choquerend slot. De boodschap van Christus’ opstanding vindt geen verspreiding omdat de boodschappers niet durven getuigen. Nochtans gaat het over drie mensen wiens zorgzame liefde voor Jezus buiten kijf staat. 

De grootsheid van de gebeurtenissen in het Matteüsevangelie staat tegenover de kleinheid van de mens in de versie van Marcus. En wij moeten toegeven dat het wel eens zou kunnen dat die laatste versie dichter bij onze realiteit staat. Durf jij je zorgzame liefde voor Jezus te vertalen in de verkondiging van het onvoorstelbare? Het antwoord kan ontstellend zijn. 

 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be