De Schatkamer

Pinksteren

31 mei 2020





Op de vooravond:

Genesis 11, 1-9 of Exodus 19, 3-8a of Ezechiël 37, 1-14 of Joël 3, 1-5

Psalm 104, 1-2, 24 en 35c, 27-28, 29bc-30

Romeinen 8, 22-27

Johannes 7, 37-39 


Zoals op andere hoogfeesten is de liturgische viering van Pinksteren opgedeeld in stappen. Je hebt de vooravondviering en de viering van de dag zelf. De lezingen van de vooravond zijn een doorgedreven voorbereiding op de dienst van Pinksteren. Opvallend is dat het leesrooster vier teksten als mogelijke eerste lezing naar voor schuift. Elk van de vier brengt een tekst uit het Oude Testament in herinnering waarin een element van het komende feest voorkomt. De Babelse spraakverwarring geldt als tegenhanger voor het verstaan van de verkondiging ondanks de vele talen. De theofanie in het boek Exodus vindt plaats als een vuur dat neerdaalt. De profetie van Ezechiël smeekt de komst van de Geest af opdat het dode Israël weer tot leven zou komen. Joël plaatst de uitstorting van de Geest aan het einde van de tijden en benadrukt dat alle mensen hem zullen ontvangen. Welke tekst je ook kiest, het is duidelijk dat we ons nog in de houding van de leerlingen plaatsen zoals die beschreven werd op Hemelvaartsdag. Uitkijkend naar de kracht van Gods Geest de hoop bewaren en eventuele dreiging verduren. Daarom mag het vers van de antwoordpsalm extra aandacht krijgen: ‘Zend uw Geest en maak uw schepping weer nieuw’. Het is deze hoop die Paulus krachtig verwoordt in het fragment uit de Romeinenbrief. Samen met de schepping kreunen wij zolang we de voltooiing van onze bestemming niet bereikt hebben. De Geest, waarvan we de eerstelingen hebben ontvangen, komt daarbij onze zwakheid te hulp. Dat geeft ons de kracht om het uit te houden, zo gaat onze verwachting gepaard met standvastigheid. Het evangelie draagt in zich de belofte waarop onze hoop gebaseerd is. Op de laatste dag van het Loofhuttenfeest, de viering van de oogst en de gedachtenis van Gods reddende aanwezigheid in de woestijn, vereenzelvigt Jezus zich met het bronwater dat in de tempel ritueel werd uitgegoten als beeld van Gods genade. Het water dat Hij ons te bieden heeft, is zijn Geest. Daar kijken we naar uit. Dus bidden we als vers voor het evangelie: ‘Kom, heilige Geest, vervul het hart van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.’



Op de dag zelf:

Handelingen 2, 1-11

Psalm 104, 1ab en 24ac, 29bc-30, 31 en 34

1 Korintiërs 12, 3b-7, 12-13 

Johannes 20, 19-23 


Als de dag  van het joodse pinksterfeest aanbreekt, blijkt dat de leerlingen hun opdracht hebben vervuld. Ze zijn er allemaal. Ze hebben het uitgehouden. En wij met hen als wij samenkomen op de vijftigste dag na Pasen. Uit het niets breekt dan iets Goddelijks binnen. Met grootse beelden kondigt de tekst aan dat de belofte van God haar vervulling zal krijgen. Gedruis uit de hemel als van een hevige wind, iets dat op vuur gelijkt, het zijn kenmerken van een Godsopenbaring. Enigszins verrassend misschien dat – zoals bij Jezus’ hemelvaart – het eigenlijke gebeuren vervolgens zo sober verwoord wordt: ‘Zij werden allen vervuld van de heilige Geest.’ Het is gebeurd. Verschillende keren werd het de voorbije periode aangekondigd, de verwachting is gestaag gegroeid, op de vooravond van Pinksteren is er krachtig voor gebeden, in een regel is het volbracht. Welk effect heeft deze genade op de leerlingen? Zijn ze blij? Voelen ze zich bevrijd van angst? Zijn ze enthousiast en vurig? We krijgen het niet te horen. Het enige gevolg dat aandacht krijgt, is dat de leerlingen ‘begonnen te spreken in vreemde talen naargelang de Geest hun te vertolken gaf’. Vanaf dan verlegt de focus zich naar de mensen die getuige zijn van dit spreken. Vrome mannen uit alle volkeren onder de hemel horen de leerlingen en zijn buiten zichzelf omdat ze vol verwondering vaststellen dat ze, ieder in hun eigen taal, die Galileeërs horen spreken van Gods grote daden. 

Misschien moeten ook wij ons niet in de eerste plaats spiegelen aan het Pinkstergebeuren zoals de leerlingen het beleefd hebben, maar aan degenen die het resultaat ervan vaststellen. Aan het einde van de vijftigdaagse periode van mystagogie zijn wij, die met Pasen gedoopt zijn of onze doopgeloften hernieuwd hebben, degenen die hebben horen spreken over Gods grote daden. We hebben geprobeerd de werkzaamheid van God in ons eigen leven te ontdekken. We hebben geprobeerd Hem te verstaan in onze eigen taal, in onze eigen context, vanuit onze ervaringen, vragen, twijfels en verwachtingen. Wij hebben ons verstand ingeschakeld maar ook ons hart. Vooral hebben we ons lichaam opengesteld. We hebben geluisterd en geantwoord, we hebben gebaren gesteld en zijn aangeraakt. De vrome mensen uit alle volkeren onder de hemel, dat zijn wij. Wij mochten getuige zijn van de buitengewone kracht van Gods Geest zoals die sinds Pinksteren aanwezig is in de Kerk. Cruciale vraag is: hebben we in onze eigen taal horen spreken over Gods grote daden? En zijn we daardoor buiten onszelf? 

Als het antwoord bevestigend is, zijn we klaar om ons eigen apostolaat aan te vatten. ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u’, zegt de verrezen Christus in het Johannesevangelie. De leerlingen die zich hadden opgesloten uit vrees voor de Joden, ontvangen de Heilige Geest. In dit geval gaat het letterlijk over de adem van de verrezen Christus. Hoe verregaand de identificatie van Jezus’ zending met die van de leerlingen is, blijkt uit de passage over de zondenvergeving. Aan God alleen komt het toe om zonden te vergeven. Zonde is namelijk een afwijzen van God. In de evangelies ervaren schriftgeleerden en farizeeën het als een godslastering als Jezus zich deze handeling toe-eigent. Alsof dat niet genoeg is, gaat deze uitspraak nog veel verder. Wie de Heilige Geest ontvangt, deelt in de zending van Jezus om namens God verzoening te brengen tussen aarde en hemel, tussen de mensheid en God. Dat is de vrede waarover sprake in deze evangelietekst: het herstel van de oorspronkelijke eenheid. 

Voor eenheid staat de Geest ook garant in de Kerk, zegt Paulus in de eerste brief aan de Korintiërs. De Kerk is geroepen om beeld te zijn van Gods vrede. Als je weet hoe wankel de onderlinge verhoudingen in de christengemeenschap van Korinte waren, klinkt deze tekst niet als een evidentie maar als een roeping. Paulus plaatst oppervlakkige veelvormigheid naast diepe eenheid. Er zijn verschillende gaven, diensten en werken. Door deze activiteiten komt echter slechts één Geest, Heer en God aan het licht. De multiculturele realiteit van de jonge christelijke Kerk maakt het aan de oppervlakte moeilijk om de eenheid te bewaren. Alleen als de christelijke identiteit zich ent op God zelf, op Jezus’ adem in ons, worden al deze obstakels overwonnen. Dan horen we één taal. God weet dat onze gemeenschappen op dit moment delen in de veelvormigheid van onze Korintische voorvaders. Alleen Hij kan ervoor zorgen dat we blijven functioneren als één lichaam.

Dus bidden we opnieuw uit alle kracht met psalm 104: ‘Zend uw Geest en maak uw schepping weer nieuw,’ en smeken we nog eens in het vers voor het evangelie: ‘Kom, heilige Geest, vervul het hart van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.’ Wie weet gebeurt het dan opnieuw dat God zich toont in majesteit en ook ons zodanig vervult met Heilige Geest dat mensen door ons in aanraking komen met Gods grote daden. 


kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be