De Schatkamer

Sacramentsdag

14 juni 2020


Deuteronimium 8, 2-3, 14b-16a

Psalm 147, 12-13, 14-15, 19-20

1Korintiërs 10, 16-17

Johannes 6, 51-52

Johannes 6, 51-58


‘Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar’, zegt Mozes in de eerste lezing van Sacramentsdag, ‘Denk aan de Heer, uw God, die u uit Egypte, dat land van slavernij, heeft geleid’. De oproep om te herinneren vormt een rode draad door het boek Deuteronomium. Aan de grens van het Beloofde Land gekomen, drukt Mozes het volk op het hart dat ze in het land van melk en honing niet mogen vergeten wat ze in de veertig woestijnjaren hebben meegemaakt en wat ze daar hebben geleerd. Mozes beschrijft deze periode als een proeftijd waarin God de gezindheid van zijn volk wilde leren kennen. De hamvraag: Zullen ze Gods geboden onderhouden of niet? Die gehoorzaamheid uit zich op verschillende vlakken. Zal de mens zijn plaats in de schepping respecteren? Of zal hij God gaan spelen? Zal de mens oog hebben voor de zwaksten onder hen? Of zal hij die uitbuiten? Zal hij zijn leven afstemmen op het woord van God? Of zal hij de mond vol hebben van zichzelf? Na een proeftijd van veertig jaar staat het volk op het punt het echte leven in te duiken. En Mozes vraagt zich af of ze er klaar voor zijn. Vergeet toch niet wat je geleerd hebt. Voor je het weet heb je voor jezelf een nieuw Egypte gecreëerd. 

Een van Gods pedagogische middelen in de woestijn was het manna: het brood dat dagelijks voor het rapen lag. Daarover zegt Mozes: ‘Hij wilde u daardoor laten beseffen, dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles wat uit de mond van de Heer komt.’ Het manna is levengevend. Het volk zou in de onvruchtbare woestijn niet overleefd hebben zonder deze bron van voedsel. Maar dit voedsel is verbonden met een woord van de Heer. Meer bepaald had God duidelijk verboden ’s ochtends meer dan een dagrantsoen manna te verzamelen. Enkel de dag voor de sabbat mocht het voor twee dagen omdat er op de sabbat geen manna zou zijn. Het volk moet leren vertrouwen op Gods dagelijkse levensgaven. De neiging is nochtans om een voorraadje op te slaan. Je weet nooit. Als je je wat organiseert, kan je er zo misschien voor zorgen dat je God helemaal niet meer nodig hebt. Dan word je iemand die leeft van brood alleen. Niet meer van alles wat uit de mond van de Heer komt. Lees in dat kader nog eens de tekst bij de eerste zondag van de veertigdagentijd. Dan stopt de lofzang voor God die wij als antwoordpsalm zingen: ‘Loof de Heer, Jeruzalem.’ Dat wil Mozes hartstochtelijk vermijden. 

In zijn broodrede uit het Johannesevangelie beschrijft Jezus zichzelf als levengevend brood. Hij heeft de massa inderdaad net gevoed. Hier komt een nieuw manna aan het licht. Maar Jezus maakt duidelijk dat er een belangrijk verschil is tussen het brood van zijn lichaam en het manna in de woestijn: ‘Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die het manna gegeten hebben en niettemin gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.’ Het manna diende om van dag tot dag te overleven. Het brood waarmee Jezus zich vereenzelvigt heeft een ander doel: leven in eeuwigheid. ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.’ Voor Johannes is een van de centrale vragen in het menselijke bestaan: Wat heeft eeuwigheidswaarde? We zijn als mens voortdurend bezig met het streven naar vergankelijke dingen. Maar is er iets in ons bestaan dat zelfs over de grens van de dood heen zijn waarde behoudt? Jezus’ antwoord is onomwonden: Ik. ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem’. Jezus is levengevend voor wie zich totaal met Hem verbindt. In Hem vind je het ware leven. Hier en nu. En tot in eeuwigheid. Dit jubelen we uit in het vers voor het evangelie: ‘Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid’. Alleluia!

Dit geloof verbindt Paulus met de Eucharistie. ‘De beker der zegeningen’ en ‘het brood dat wij breken’ zijn termen uit de christelijke praktijk om de zondag te vieren door te doen wat Jezus had gezegd op het Laatste Avondmaal: ‘Doe dit om mij te gedenken’. De Eucharistie is de fysieke gestalte van de vereniging met Jezus. ‘Gemeenschap met het bloed van Christus’ en ‘gemeenschap met het lichaam van Christus’, noemt Paulus het. Merk op dat Paulus niet spreekt over het brood als lichaam. Door het brood worden wíj het ene lichaam. Wij participeren in het leven, de dood en de opstanding van Christus omdat wij ons door Hem laten voeden. 

Sacramentsdag is een dag van herinnering. We gedenken hoe Jezus zichzelf heeft geschonken om voor ons het brood te worden dat ons binnenleidt in het ware leven. Het Bijbelse herinneren is nooit beperkt tot terugkijken naar wat voorbij is. Het is een letterlijk her-inneren. Het komt opnieuw binnen. We worden opnieuw gevoed. En Mozes kijkt om het hoekje mee en zegt: ‘Vergeet het alsjeblieft niet.’ 

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be