De Schatkamer

2e zondag van de veertigdagentijd

8 maart 2020


Genesis 12, 1-4a

Psalm 33, 4-5, 18-19, 20 en 22

2 Timotheüs 1, 8b-10

Matteüs 17, 1-9

Elke zondag van de veertigdagentijd presenteert de eerste lezing ons een etappe in de heilsgeschiedenis van het Oude Testament. Op de eerste zondag bevonden we ons nog in de tuin van Eden. Vandaag staan we aan de oorsprong van het Godsvolk als we de roeping meemaken van Abram. Het belang van deze tekst voor het verstaan van de joods-christelijke identiteit kan moeilijk overschat worden. Hier horen we voor het eerst dat Bijbels geloven om beweging vraagt. Geloven is gaan. Weggaan uit de zekerheid en het comfort van het bekende om een weg in te slaan waarvan je niet weet waarheen die leidt. ‘Ga naar het land dat Ik je zal aanwijzen’, zegt God. Zelfs als deze roep gevolgd wordt door de grootse beloften van land, nageslacht en zegen, blijft het een immense opgave die om blind vertrouwen vraagt. Des te opvallender is het dat God Abram al op weg is terwijl God nauwelijks uitgesproken is. Daarom is deze aartsvader het prototype van de gelovige mens. Hij gaat.

De Kerk nodigt ons uit om de veertigdagentijd te beleven als een geloofsweg. Zoals een marathonloper geregeld trainingsafstanden loopt, zo willen wij ons oefenen in de beweging van Abram. Wegtrekken en loslaten. Ons toevertrouwen aan een weg waarvan we niet exact weten waarheen die leidt. ‘Geef ons, Heer, uw barmhartigheid, zoals wij op U vertrouwen,’ zingen we als antwoord op de tekst uit Genesis. Psalm 33 openbaart ons eerst de Gods identiteit: oprecht, betrouwbaar, gericht op recht en gerechtigheid en mild, noemt de eerste strofe van de antwoordpsalm Hem. Daarna bezingen we hoe onze God betrokken is op degenen die Hem eerbiedigen en zich op Hem afstemmen. Hij zal zich erbarmen, hen ontrukken aan de dood en hen voeden. Vanuit deze overtuiging kunnen we al onze hoop op Hem stellen. Wij worden mensen van de Weg.

Door een God die redt, zijn wij geroepen met een heilige roeping. Zo vertaalt Paulus het in zijn tweede brief aan Timotheüs. In zijn woorden blijkt echter dat dit niet betekent dat onze weg over rozen zal gaan. Wie de geschiedenis van Abram en van zijn nageslacht kent, weet dit maar al te goed. De gelovige moet zijn deel dragen in het lijden voor het evangelie. Toch overheerst niet het duister. In Christus komt er stralend licht binnen in de geschiedenis. Hij heeft immers de dood vernietigd. Onvergankelijk leven heeft Hij doen aanlichten door het evangelie. In de Griekse grondtekst is de laatste zin dubbelzinnig. Het beeld is dat het onvergankelijke leven het duister verdrijft. Tegelijk mag je dit ook lezen als een uitdrukking die betekent dat iets nieuws ontstaat: het komt aan het licht. In ieder geval spreekt Paulus over een daad uit het verleden. In Christus heeft God ons een buitengewoon geschenk gegeven.

In de evangelietekst moet deze Blijde Boodschap nog gerealiseerd worden. Jezus’ verheerlijking is nog toekomstmuziek. Hij kiest drie van zijn apostelen uit die een voorproefje mogen meemaken op een hoge berg. Hij toont hen nu reeds de climax van de schepping, het hoogtepunt van de geschiedenis. In Jezus wordt zichtbaar wat voor Abram nog verborgen bleef. God wijst het land aan waarheen de geroepene zich moet begeven. Het is geen territorium. Het is een mens: stralend als de zon, glanzend als het licht. Gods Zoon, de Welbeminde. Wie God wil gehoorzamen, moet naar Hem luisteren. Dat dit licht alles vandoen heeft met Paulus’ onvergankelijke leven dat oplicht uit het evangelie, blijkt uit Jezus’ laatste woorden van deze lezing: ‘Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.’ Wat wij, samen met Petrus, Jakobus en Johannes, te zien en te horen krijgen, is slechts een voorafname. We hebben nog maar een kwart van de veertigdagentijd achter de rug. De weg is nog lang.

Maar het is een hart onder de riem dat we onze pelgrimage kunnen verbinden met een stem uit het verleden en een beeld van de toekomst. Het vers voor het evangelie herinnert ons hieraan. Uit het verleden klinkt de stem van de Vader vanuit een schitterende wolk. Zij maakt er ons van bewust dat we zoals de drie apostelen al iets hebben mogen proeven van het ultieme doel van onze reis. Luisterend naar de welbeminde Zoon krijgen ook wij al iets te zien van wat vandaag voor onze ogen nog versluierd is: het licht van het onvergankelijke leven. ‘Staat op en weest niet bang’, zegt Jezus aan ons. ‘Ga naar het land dat Ik u wijzen zal’, klinkt de Oudtestamentische roeping mee, ‘naar het land van degene die uit de dood is opgestaan.’ Ja, laten wij naar Hem luisteren.

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be