De Schatkamer

5e zondag van de veertigdagentijd

29 maart 2020


Ezechiël 37, 12-14

Psalm 130, 1-2, 3-4, 5-6ab, 7-8

Romeinen 8, 8-11

Johannes 11, 25a en 26

Johannes 11, 1-45

De boodschap van zondagen drie en vier was groots. Door het doopsel zal een bron van levengevend water in ons opborrelen. We zullen het licht ontvangen en zelf drager worden van dit licht van de Messias. Alsof dit alles al niet overdonderend genoeg was, doet de vijfde zondag van de veertigdagentijd er nog een schepje bovenop. In het doopsel zullen we nieuw leven vinden, sterker dan de dood.

‘Ik ga uw graven openen’, zegt Ezechiël in de eerste lezing. Hij vertegenwoordigt de profetische stem in het overzicht van de Oudtestamentische heilsgeschiedenis. Zijn profetie is gericht aan het volk in de ballingschap. Ze hebben alles verloren: hun land, hun samenleving en hun tempel. Ze zijn ten onder gegaan aan het geweld van Babel. Ten dode opgeschreven is hun cultuur en de belofte die centraal stond in de identiteit van het Godsvolk Israël. Dan klinkt echter de onvoorstelbare belofte dat er nog toekomst is voor dit levenloze volk. De God van Israël is sterker dan de dood. ‘Wanneer Ik dan uw graven geopend heb en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven, zult gij weten dat Ik de Heer ben.’

De antwoordpsalm plaatst ons in de positie van het volk dat alles verloren heeft. Ons Babylon heet in de psalm: ‘de diepte’. Om de impact van het doopsel te voelen, moet je je bewust zijn van de diepte van de angst, de twijfel en de wanhoop die zich meester kan maken van ons bestaan. Pas dan voel je hoe ver God bereid is mee te gaan in onze geschiedenis. Hij luistert naar onze stem uit de diepste diepte. Hij hoort ons smeekgebed, zelfs al is het onze eigen zondigheid die ons zo diep heeft laten vallen. ‘Op de Heer stel ik mijn hoop,’ zegt de mens die alle hoop heeft verloren. Aan wie dood is, zegt de Heer: ‘Mijn geest zal ik over u uitstorten en gij zult leven.’

Die Geest ontvang je van Christus. Paulus verkondigt aan de Romeinen dat de Geest van God door Christus in hen woont. Het is die Geest die levend maakt: ‘Als de geest van God die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.’

Wat de profeet en de apostel verkondigend proberen duidelijk te maken, dat presenteert het evangelie deze zondag verhalend. Het lot van Lazarus openbaart de toekomst van elke gelovige. Al in de aanloop van het verhaal wordt duidelijk wat hier op het spel staat: ‘Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden’. Jezus wekt tijdens zijn aardse gesschiedenis niet elke dode tot leven. Dat zou ook niet wenselijk zijn. De mens is gemaakt om een afgebakende periode zijn rol te vervullen in de aardse realiteit. Daarna keert hij terug naar God. De opwekking van Lazarus is dus slechts een beeld van wat de mens te wachten staat voorbij de grens van de dood. De steen wordt weggerold. Terwijl het vergankelijke deel van de persoon ‘al riekt’, kan je in deze mens de heerlijkheid Gods zien. Wat de profeet had aangekondigd als onmiskenbare kracht van Gods aanwezigheid, wordt hier zichtbaar. De dood is niet de ultieme grens. Er is toekomst voor wie gestorven is. Die toekomst dient zich aan in de ontmoeting met de persoon Jezus Christus.

‘Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt de Heer, wie in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’, verkondigt het vers voor het evangelie. Als sterfelijke mensen plaatsen we ons voor Christus in deze veertigdagentijd. Als sterfelijke mensen zullen we ons aandienen voor onze doop of voor de bevestiging ervan in de Paaswake. Wij zullen delen in het lot van Lazarus en in het graf terechtkomen. Maar in het doopsel vertrouwen wij ons toe aan een God die sterker is dan de dood. Een nieuwe categorie van leven dient zich aan. Uitgerekend Tomas, die later het predicaat ‘ongelovige’ zal krijgen, drukt uit wat er gebeurt als je deze realiteit nu toelaat in je manier van leven: ‘Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.’ Als je je toevertrouwt aan een God die in Christus het ware leven wint zijn leven te geven dan ben je bereid om diezelfde oppervlakkigheid los te laten om zelf het ware leven te ontvangen.

Mooi is het dat in de evangelietekst de zussen Maria en Marta de paradoxale ervaring weergeven van iemand die dit gebeuren aan den lijve ondervindt. Marta zegt: ‘Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.’ Maria komt niet verder dan: ‘Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.’ Beiden ervaren ze de pijn van de dood. Die is existentieel en gaat niet zomaar weg. Het is ook belangrijk te zien dat Jezus zelf deze pijn deelt. Diep ontroerd is Hij, zegt Johannes. Maar door de realiteit van de die pijn heen opent de Blijde Boodschap een nieuw perspectief voor wie gelooft. In de praktijk bewegen wij als gelovigen tussen Maria en Marta als we geconfronteerd worden met de kwetsbaarheid van ons eigen leven en het leven van onze geliefden. In de voorbereiding op de Paasnacht nodigt de liturgie ons uit om voorbij de oppervlakkige laag van de pijn en het verdriet te kijken. Daar staat Jezus Christus. Voor Hem opent God de graven. Zoals Hij zullen ook onze sterfelijke lichamen levend gemaakt worden. In Hem ontmoeten wij de verrijzenis en het ware leven. Aan ons om ons geloof in Hem te belijden: ‘Wie in U gelooft, Heer Jezus, zal in eeuwigheid niet sterven.’

kathedraal Antwerpen  -  Groenplaats 21  -  2000 Antwerpen

www. dekathedraal.be           info@dekathedraal.be